Onderzocht: iets dat/wat vragen oproept

Illustratie: Arthur Reinders Folmer

Het vierde woord dat je in deze zin ziet, is een betrekkelijk voornaamwoord: dat dus. Er zijn drie veelvoorkomende betrekkelijke voornaamwoorden: 

  • die na een de-woord: ‘De man die daar loopt’, ‘De stoelen die ik verf’; 
  • dat na een het-woord: ‘Het geld dat ik betaal’, ‘Een programma dat ik bekijk’; 
  • wat in gevallen als ‘Dat wat je net zei’ en ‘De bus hobbelt, wat ik niet fijn vind.’ 

Voor een deel zijn er duidelijke normen voor bovenstaande gevallen, maar er is vaak twijfel als er niet verwezen wordt naar een de- of het-woord. Denk aan woorden als iets, alles en veel. Is het ‘iets wat mij raakt’ of ‘iets dat mij raakt’?  

Veel mensen hebben geleerd dat je bij zulke woorden wat gebruikt en geen dat. Anderen lijken juist bang te zijn dat wat fout is: ze hebben geleerd dat ‘het boek wat ik lees’ niet goed is en hebben de neiging die lijn door te trekken.  

Recentere taaladviesbronnen zeggen dat wat en dat in deze gevallen allebei algemeen geaccepteerd zijn. Wij vroegen ons af hoe onze lezers hierover denken en daarom hebben we ze een aantal zinnen voorgelegd. Dat leverde een aantal inzichten op. 

In deze gevallen bleek er geen opvallend sterke voorkeur te zijn voor wat of dat:  

  • Ik zoek iets … hij nog niet heeft. 
  • Er is veel … ons bezighoudt. 
  • Seconde is afgeleid van secundus, … ‘volgende’ betekent.  

Bij deze zinnen is er een voorkeur voor wat: 

  • Is dat alles … we mee moeten nemen?  
  • Niets … de staatssecretaris ter verdediging aanvoerde, werd nog geloofd.  

Bij deze zin is er een voorkeur voor dat: 

  • We genoten van al het moois … we zagen.  

Samengevat vallen er twee dingen op: in formelere teksten wordt dat beter gevonden, zoals in “Ons land heeft veel dat hoop geeft en vertrouwen” – een zin uit de Troonrede van 2007. Ook is er een lichte voorkeur voor iets dat als het verwijst naar iets specifieks: ‘Deze opmerking is iets dat me raakt’, en juist voor iets wat als het ‘iets’ nog niet in de tekst genoemd is: ‘Ik zoek iets wat hij nog niet heeft.’ De regel ‘gebruik wat als het niet om een zelfstandig naamwoord gaat’ wordt dus nog wel geregeld toegepast, maar vooral bij iets dat/wat en veel dat/wat zie je in schrijftaal tegenwoordig een duidelijke voorkeur voor dat. Zo zie je maar dat taal iets is dat/wat niet statisch is: er is veel dat/wat zomaar kan veranderen. 

Nieuw op Onzetaal.nl 

Op onze website beschrijven we een grote variëteit aan taalkwesties en uitdrukkingen. Elke maand komen er nieuwe bij – onlangs bijvoorbeeld deze. 

Meer dan één 
Na de constructie meer dan één volgt een enkelvoud: ‘Meer dan één cursist heeft afgezegd’, ‘Er zit meer dan één konijn in de tuin.’ In meer dan één cursist is één cursist de kern van de woordgroep. Daarom fungeert die hele woordgroep als een enkelvoud. De persoonsvorm sluit daarbij aan. 
Meer uitleg over de constructie meer dan één.

Het vege lijf 
Het vege lijf redden betekent ‘ergens (nog net) levend vanaf komen’ – of iets minder dramatisch: ‘snel vluchten om erger te voorkomen’. Veeg is hier een bijvoeglijk naamwoord met de betekenis ‘in levens­gevaar verkerend’. In ouder Nederlands betekende het ‘onheilspellend’ en nóg eerder – in de Germaanse voorloper van onze taal – ‘vijandig’. De betekenis ‘onheilspellend’ vind je ook in de uitdrukking een veeg teken.  
Meer uitleg over de uitdrukking het vege lijf.

Op je achterste benen 
Als je op je achterste benen staat (of op je achterste poten in Vlaanderen), ben je ergens boos over en laat je dat duidelijk merken. De uitdrukking is gebaseerd op wat een vurig paard doet als het onhandelbaar is: het gaat steigeren. Het staat dan dus (alleen) op de achterste twee benen, niet op alle vier. Dit beeld van een steigerend paard is een symbool geworden voor iemand die duidelijk laat merken woedend te zijn. 
Meer uitleg over de uitdrukking op je achterste benen.  

Een warme kop chocolademelk 

‘Ik heb zin in een warme kop chocolademelk’ is een goede zin. Dat klinkt misschien wat gek, want er lijkt te staan dat de kop warm is, terwijl het er natuurlijk om gaat dat de chocolademelk warm is. Een kop warme chocolademelk is logischer, maar waarom kan die andere volgorde ook? 

Dat komt doordat je kop chocolademelk meteen begrijpt als een geheel. Je kunt warme vóór dat geheel zetten zonder dat dit verwarring oplevert. Er zijn meer van zulke gevallen, zoals een goed glas wijn en een geurig kopje thee: het gaat om de drank die ín het glas en het kopje zit. Maar een geurig glas thee is een beetje raar: een glas thee is geen vast geheel. 

Hoe zit een warme kop chocolademelk grammaticaal in elkaar? Chocolademelk is de kern. Daarvan wordt gezegd: ‘zoveel als er in een kop zit’ – kop is dus ook een soort inhoudsmaat. Warme lijkt eerst iets te zeggen over kop, maar het zegt eigenlijk vooral iets over chocolademelk.  

Zo’n gedachtesprongetje noem je een hypallage. Dat is een Grieks woord, dat letterlijk ‘verwisseling’ betekent. 

Onlangs in De Taalstaat: de bezits-s en de apostrof 

Roos de Bruyn in de studio van ‘De Taalstaat’

Elke zaterdag beantwoorden we een luisteraarsvraag in het radioprogramma De Taalstaat. Onlangs was de vraag: “Waarom zie je zo vaak een overbodige apostrof voor de bezits-s, zoals in ‘Tim’s vloeren’ (op een bestelbusje)?” 

Taaladviseur Roos de Bruyn: “Volgens de spellingregels is het Tims vloeren. Apostrof + s is alleen goed als een naam op een klinker eindigt die in zijn eentje een lange klank weergeeft: Anna’s feest, Andy’s kat, Ebru’s muziek.  

In andere gevallen moet de s aan de naam vast: Tims vloeren, Annekes feest, Shanties huis, enz. Toch zie je hier ook vaak een apostrof. Dat komt doordat in Tim’s, Anneke’s en Shantie’s de naam er net wat meer uit springt, net als de bezits-s zelf. Je ziet iets sneller hoe het woord in elkaar zit.  

Wij adviseren daarom mild te zijn tegenover dit gebruik, zeker bij korte of zeldzame namen. An’s feest en Eskil’s kat zijn toch wat duidelijker dan Ans feest en Eskils kat.”