Maar als beginwoord

Illustratie: Arthur Reinders Folmer

Mag je maar gebruiken aan het begin van een zin? Veel mensen hebben geleerd van niet, zo horen we best vaak. Maar dat is helemaal geen vaste taalregel.

Maar is een voegwoord: het kan twee hoofdzinnen aan elkaar voegen. Zo kun je ‘Ik wilde een eindje gaan fietsen’ en ‘Het is te slecht weer’ combineren tot één zin: ‘Ik wilde een eindje gaan fietsen, maar het is te slecht weer.’ Vergelijkbare woorden zijn en, of en want.

Als twee korte mededelingen inhoudelijk sterk bij elkaar horen, zoals hierboven, is het vaak mooier om daar één zin van te maken. Maar zodra een ervan aan de lange kant is, is het prettiger om er een punt tussen te zetten, vanwege de leesbaarheid en de begrijpelijkheid. Zou deze alinea erop vooruit zijn gegaan als we een komma voor maar hadden gezet?

Je kunt daarbij goed afgaan op hoe de tekst in je hoofd klinkt. Vergelijk deze gevallen:

  1. Ik hou van de grote stad, maar dan wel op zondagochtend als er nog niemand op straat is.
  2. Ik hou van de grote stad. Maar dan wel op zondagochtend als er nog niemand op straat is.

In 1 loopt de informatie voor en na maar door. In 2 hoor je duidelijker een pauze als je de zin voorleest. Daardoor wordt de tegenstelling prominenter; maar roept dan een onverwachtere of emotioneel geladen wending op. Ook kan maar als beginwoord van pas komen als er een nieuwe situatie binnen de tekst geïntroduceerd wordt.

Zinnen met maar aan het begin zijn al eeuwen heel gebruikelijk. In de Bijbel komen ze veel voor, zoals in deze passage uit Lucas 8:38 in een editie uit 1887: “En de man (…) bad Hem, dat hij mocht bij Hem zijn. Maar Jezus liet hem van Zich gaan.”

De ‘regel’ om geen maar als beginwoord te gebruiken, heeft vooral met stilistische factoren te maken. In formeel en zakelijk taalgebruik is zo’n begin-maar niet gebruikelijk, en volgens veel mensen ook niet wenselijk. Dat is vooral omdat een zakelijke tekst weinig nadruk, spanning of emotie vereist. In zulke teksten wordt vaker voor een zin met echter gekozen dan voor een met maar aan het begin.

Maar als je je tekst een beetje pit wilt geven, kun je dus gerust af en toe een zin beginnen met maar. Maar ook weer niet te vaak achter elkaar, want dat leest niet zo prettig.

Nieuw op Onzetaal.nl

Op onze website beschrijven we een grote variëteit aan taalkwesties en uitdrukkingen. Elke maand komen er nieuwe bij – onlangs bijvoorbeeld deze.

AI-modellen en taalvragen
Hoe slim AI-modellen als ChatGPT ook lijken te zijn, in het beantwoorden van vragen over taal zijn ze niet zo goed. Ze denken namelijk niet als mensen en ze begrijpen zinnen niet echt – laat staan hoe taal ‘werkt’. Onhandig is dat ze wél vaak een antwoord geven dat overtuigend klinkt, terwijl het lang niet altijd klopt.
Lees hier meer over AI-modellen en taalvragen.

Iemand anders(’) fiets
De fiets van iemand anders, dat is iemand anders’ fiets – met een apostrof. Je volgt hierbij dezelfde regel als bij een naam als Gijs: ook in Gijs’ fiets gebruik je een apostrof. Let op: in andermans fiets komt juist geen apostrof.
Meer uitleg over de apostrof in iemand anders’ fiets.

Zet ’m op!
De aanmoediging ‘Zet ’m op!’ (of ‘Zet hem op!’) mag dan vaak voorkomen, over de herkomst ervan is weinig bekend. Het is duidelijk dat het om het werkwoord opzetten gaat, maar wát er precies werd opgezet (een hoed of pruik? een dier? een breiwerk?) en waarom, daar zijn verschillende ideeën over. De toevoeging ‘witte muizen’ die je nog weleens hoort, is waarschijnlijk in een leger- of oorlogscontext ontstaan.
Meer uitleg over Zet ’m op.

Alle taalkwesties vind je hier.

Is het vergroten of verhogen?

Is het ‘Tien tips om je zelfvertrouwen te vergroten’ of ‘Tien tips om je zelfvertrouwen te verhogen’? In dit geval is vergroten de beste keus, maar je kunt vergroten en verhogen vaak allebei gebruiken.

In het algemeen gaat het bij vergroten om afmetingen die groter worden. Vaak zichtbaar, zoals in de afbeelding vergroten en je klantenbestand vergroten. Maar ook wel als het om iets minder concreets gaat: de kansen vergroten, je kennis vergroten.

Verhogen gebruik je als iets letterlijk hoger wordt: het plafond verhogen. Maar het komt ook voor bij getallen of waardes, of bij zaken waarbij je een stijgende grafiek voor je ziet. Bijvoorbeeld: defensie-uitgaven verhogen, de levensstandaard verhogen.

Soms zijn beide varianten gangbaar. Zo kun je spreken van de veiligheid op straat vergroten, maar ook van de veiligheid op straat verhogen. Dat laatste is zelfs gebruikelijker. Bij zelfvertrouwen denk je niet zo snel aan een waarde; daarom ligt vergroten meer voor de hand. Maar als je een stijgende lijn voor je ziet, is ‘je zelfvertrouwen verhogen’ niet onmogelijk.

Onlangs in De Taalstaat: Vintage en tweedehands

Fieneke Jochemsen in de studio van ‘De Taalstaat’

Elke zaterdag beantwoorden we een luisteraarsvraag in het radioprogramma De Taalstaat. Onlangs was de vraag: klinkt vintage kleding alleen maar hipper dan tweedehands kleding of betekent het ook iets anders?

Taaladviseur Fieneke Jochemsen: “Vaak wordt vintage als synoniem gebruikt voor tweedehands. Maar eigenlijk wil het zeggen dat iets gemaakt is in een eerdere stijlperiode – de jaren vijftig of tachtig bijvoorbeeld – en nu weer in de mode is.

Oorspronkelijk betekende vintage iets heel anders: ‘wijnoogst’. De betekenis verschoof naar ‘wijn uit een bepaald (zeer goed) jaar’. Vervolgens ging dat (goede) jaar zélf weer als een soort kwaliteitskeurmerk fungeren: van vintage port tot vintage auto’s. Zo is vintage kleding kleding van goede kwaliteit die dateert uit een oudere stijlperiode. Het is vaak een bewuste stijlkeuze als je dat draagt; bij tweedehands kleding is dat niet zonder meer zo.”