
77 vertalingen van een gedicht
Over de bijzondere taal die Guus Middag leest, hoort en ziet
Onlangs verscheen er een bijzondere dichtbundel. Poëziecriticus en essayist Guus Middag liet zich verrassen door een opmerkelijk experiment.
Op 10 oktober 1912 bevond de Russische dichter Alexander Blok (1880-1921) zich ‘s avonds laat nog op straat, in Sint-Petersburg. Het was mistig, en koud. Hij stond voor een etalage, in zijn eentje – en werd toen overvallen door het besef dat hij daar over een kwarteeuw weer precies zo zou kunnen staan:
Nacht. Trottoir. Drogist. Lantaren –
en licht, stompzinnig vies en voos.
Leef nog twintig-dertig jaren:
niets verandert. Uitzichtloos.
Ga dood – en het begint van voren,
herhaalt zich in de kille mist:
nacht, de grachten toegevroren,
straatlantaarn. Trottoir. Drogist.
Het is een sombere vaststelling: er verandert nooit iets, alles herhaalt zich altijd maar weer, ook als wij er zelf niet meer zijn. Aan het eind van het gedicht keren de beginwoorden terug. Daar bevestigt de vorm de inhoud: de eeuwige wederkeer van alle dingen.
Deze vertaling is van Robbert-Jan Henkes. Er zijn er meer. In de ene vertaling gaat het niet om een ‘trottoir’, maar om ‘straten’. In een andere om een ‘straatje’. Bij de een staat de dichter niet voor de etalage van een ‘drogist’, maar van een ‘apotheek’. Bij de ander is het een ‘drogisterij’. Het zijn kleine verschillen, maar juist die zijn belangrijk in poëzie. We zitten hier al meteen bij waar het bij vertalen altijd om draait: wat staat er in het origineel, en, dat vooral, hoe zeggen we het in het Nederlands?
Mikadostokjes
Robbert-Jan Henkes, vertaler én dichter, moet zich bij het vertalen van dit gedicht gerealiseerd hebben dat een tekst allerlei gedaanten kan hebben. Hij besloot er een project van te maken, op de manier waarop Raymond Queneau ooit besloot een en hetzelfde onbeduidende voorval op 99 verschillende manieren te vertellen, in zijn boek Exercices de style (1947). Hoe zou een dichter als Nijhoff deze regels vertalen? Of Annie M.G. Schmidt? Jules Deelder? Babs Gons? En hoe zou deze nachtelijke scène eruitzien in een kindergedicht? Of als je er een carnavalskraker van zou maken? Een haiku, of een limerick? Of als je als klinker alleen maar de a zou mogen gebruiken?
Henkes gaf zichzelf de opdracht dit gedicht 77 keer te vertalen, telkens met de stem van iemand anders, of in een ander genre, of met een krankzinnige spelregel (“gebruik alleen voltooid deelwoorden”, “gooi de regels als mikadostokjes door elkaar”). Het resultaat is de wonderlijke bundel Nachttrottoir, een staalkaart van 77 zeer verschillende stijlen. Mijn favoriet is de vertaling op de wijze van Jerommeke, de kortaf sprekende krachtmens uit de Suske en Wiske-strips:
Nacht. Straat. Drogist.
Licht.
Kan niet binnen.
Is dicht.
Dank u.
Oerhond
Je zou misschien denken dat met al die verschillende versies naast elkaar de oertekst steeds beter benaderd wordt, maar in de praktijk doet zich het omgekeerde voor. Wij raken hier aan het vraagstuk van de oerhond, zoals Rudy Kousbroek het noemde in de inleiding bij zijn vertaling van Queneau’s Stijloefeningen: “Er bestaan (...) allerlei variaties op het thema hond: tekkels, St. Bernhards, de schapendoes en de patrijshond, er zijn er wel meer dan 99. Maar waarvan het variaties zijn is niet goed vast te stellen. Hoe meer je er gezien hebt, hoe meer je in staat bent een gegeven variant als hond te herkennen, maar tegelijk wordt het beeld van de oerhond steeds vager.”
Dat is wat de lezer van Nachttrottoir ook overkomt: het beeld van het oervers van Blok wordt steeds vager. Na lezing van de bundel zit er maar één ding op: maak je eigen versie van “Notsj, oelitsa, fonar, apteka”. <<
