
De bijzonderste anderstalige boeken uit 2025
Taalboeken van over de grens
Niet alleen in het Nederlands verschijnen er mooie en interessante boeken. Taalboekenverslinder Marc van Oostendorp las een eind over de grens en zette zes grote verrassingen van dit jaar op een rij.
Pronoun Trouble. The Story of Us in Seven Little Words
John McWhorter (Penguin)

Er is de afgelopen decennia in de hele westerse wereld gediscussieerd over voornaamwoorden – pronouns in het Engels. Moeten we bijvoorbeeld ruimte maken voor non-binaire mensen om hun eigen voornaamwoorden te gebruiken (die of hen in het Nederlands)? En hoe doen we dat dan?
In een wervelende rondleiding voert de Amerikaanse taalkundige John McWhorter de lezer langs alle voornaamwoorden van het Engels en onthult hij de verhalen achter deze zeven kleine woorden (I, you, he, she, it, we, they). Hoe komt het dat Engelstaligen zo volhardend zeggen ‘Matt and me are walking’ in plaats van ‘Matt and I’? Het Oudengels kende zelfs aparte voornaamwoorden voor ‘wij twee’ en ‘jullie twee’ (wit en git). En wat verklaart dat I en me zo weinig op elkaar lijken – net als het Nederlandse ik en mij – terwijl jij en jou, of hij en hem wél dicht bij elkaar liggen? McWhorter geeft de antwoorden in zijn sprankelende Pronoun Trouble.
Het laatste hoofdstuk gaat over they, dat in het Engels gebruikt wordt om naar non-binaire mensen te verwijzen of naar mensen van onbekend gender: ‘Charlie is coming. They are tired.’ McWhorter heeft in zijn vaderland de reputatie van een behoudend denker, maar in dit boek pleit hij nadrukkelijk vóór dit gebruik.
Fascinerend is vooral hoeveel rijkdom er schuilt in ogenschijnlijk onbeduidende woordjes. Pronoun Trouble is echt lastig weg te leggen.
À qui la faute? L’impossible (mais nécessaire) réforme de l’orthographe
Bernard Cerquiglini (Folio)

De Franse spelling staat bekend om haar conservatisme. Je wordt nog steeds geacht tal van letters te schrijven die je in het Frans niet meer uitspreekt (de laatste t van petit (‘klein’ of de p van beaucoup (‘veel’). Op allerlei letters verschijnen accenten (é, è, ê) die meer met de geschiedenis van de taal te maken hebben dan met de huidige uitspraak. Je kunt dat mooi vinden, maar het veroorzaakt ook al heel lang problemen in het onderwijs en daarbuiten.
De laatste jaren gaat het, zoals overal in de westerse wereld, niet goed met de schoolprestaties van Franse leerlingen. Zou de spelling daarom niet moeten worden aangepast? Of breekt een radicale hervorming de door Fransen zo gekoesterde traditie in één klap af?
Het is een eeuwenoude discussie. In À qui la faute? (‘Wiens fout is het?’) beschrijft de bekende taalkundige Bernard Cerquiglini – zelf ooit betrokken bij een poging de spelling licht aan te passen – de spannende geschiedenis van die discussie, en gaat hij op zoek naar wie er eigenlijk ‘schuldig’ is aan die op het oog zo onmogelijke spelling. Was het de Académie française? Waren het de schoolmeesters? Moeten we de schuld misschien zelfs leggen bij Karel de Grote?
Nederlandstaligen kijken weleens jaloers naar hoe goed het allemaal geregeld is in het Frans. Door hun spellingconservatisme kunnen ze daar toch maar mooi nog steeds Molière lezen! Het is verfrissend om van binnenuit te lezen over de moeilijkheden van zo’n onwrikbaar spelsysteem.
Proto: How One Ancient Language Went Global
Laura Spinney (William Collins)

Vrijwel alle talen van Europa gaan terug op dezelfde oertaal: het Indo-Europees. Maar ook in Iran en India worden Indo-Europese talen gesproken, verre verwanten van het Nederlands. Ongeveer de helft van de wereldbevolking spreekt tegenwoordig een Indo-Europese taal.
Sinds de negentiende eeuw zijn taalkundigen bezig geweest om dat Indo-Europees te reconstrueren door heel nauwkeurig al die dochtertalen met elkaar te vergelijken. De laatste decennia werken ze samen met archeologen en andere wetenschappers om ook de cultuur te ontsluieren. Er lijkt inmiddels een consensus te ontstaan over waar de Indo-Europeanen vandaan kwamen: veel geleerden denken dat dit ergens ten noorden van de Zwarte Zee moet zijn geweest, in het huidige Oekraïne. Daarvandaan zijn mensen in golven naar grote delen van het Euraziatische continent getrokken.
In Proto vertelt de Britse wetenschapsjournalist Laura Spinney het spannende verhaal over alle gebeurtenissen van de afgelopen vijfduizend jaar die de wereld hebben gevormd. Het boek vertelt tegelijkertijd het verhaal over onderzoekers die zo ver terug in de tijd durven te graven.
Door talen uit het verleden met elkaar te vergelijken, kunnen we veel te weten komen over de talen van vandaag. De overeenkomsten vertellen ons veel over de diepe wortels van onze taal en cultuur. Maar de verschillen doen dat net zo goed: iedere moderne taal draagt de sporen van – soms al eeuwenoude – vermenging met andere talen.
Die Magie der deutschen Sprache
Hauke Goos (SPIEGEL-Buchverlag)

Ons hele leven gebruiken we taal. Waarom zouden we dan niet proberen er heel goed in te worden? En hoe kun je dat beter leren dan door heel goed te kijken hoe échte schrijvers het doen? Vanuit die gedachte begon de Duitse journalist Hauke Goos een wekelijkse column in Der Spiegel. Iedere week publiceert hij in het blad een mooie of interessante zin uit de Duitse literatuur, om vervolgens uit te leggen waarom die zin zo mooi is, of zo raak.
De rubriek is een succes, en uit dit boek – een selectie van de columns – blijkt hoe terecht dat is. Of Goos nu een lange zin neemt uit een roman van de Duits-joodse schrijver Hermann Kesten uit de jaren dertig of een kort citaat uit het dagboek van Wolfgang Amadeus Mozart (“Helemaal niets meegemaakt. Ook leuk”), steeds maakt hij voelbaar hoe groot de kracht van taal is.
Hoeveel wordt er bijvoorbeeld niet uitgedrukt door dat ene woordje ook in het citaat van Mozart: je gaat als lezer vanzelf denken aan alle dingen die er hadden kunnen gebeuren en die óók leuk waren geweest. (En dat het dagboek misschien vervalst is, doet er dan al bijna niet meer toe.)
Zo leer je als lezer allerlei mooie zinnen van niet altijd even bekende schrijvers kennen. En door het enthousiasme waarmee Goos erover schrijft, krijg je zin om zelf ook mooier te schrijven. Het is daarmee een zelfstudieboek voor iedere taalgebruiker – los van de taal. En nog mooi vormgegeven ook.
Bye Bye I Love You. The Story of Our First and Last Words
Michael Erard (MIT Press)

Taal hoort bij het mensenleven, maar juist omdat taal overal om ons heen is, vergeten we soms hoe belangrijk het is. Door onze aandacht op twee belangrijke momenten te richten – de eerste woorden en de laatste – laat Michael Erard zien dat we veel kunnen leren over wat het betekent mens te zijn.
Verschillende culturen gaan heel verschillend om met de eerste woorden. In sommige culturen besteden volwassenen nauwelijks aandacht aan wat kinderen zeggen. In andere, zoals de onze, is de verwachting hoog, en toegespitst op één woord: wij horen een kind mama zeggen, ook al is er geen enkele reden om te denken dat het begrijpt wat het zegt.
Over woorden aan het eind van het leven weten we nog minder. Vaak gaat het dan om anekdotes over bekende mensen (Johan van Oldenbarnevelt tegen de beul: “Maak het kort”), maar het waarheidsgehalte van zulke verhalen is dubieus. Wat zeggen mensen echt in hun laatste momenten? En in hoeverre kunnen we eigenlijk zeggen dat de eerste woorden (“Bal!” “Auto!”) iemands latere karakter al laten zien? Erard zocht het allemaal uit, in een van de menselijkste en ontroerendste boeken over taal die in 2025 zijn verschenen.
Erard is waarschijnlijk een van de beste schrijvers over taal die er momenteel zijn. Een boek dat voor een belangrijk deel gaat over de naderende dood, lijkt misschien niet heel gezellig. Maar door zijn presentatie en fonkelende stijl maakt Erard er een menselijk en tegelijk leerzaam verhaal van.
Perché l’italiano?
Jhumpa Lahiri (Einaudi)

Een jaar of twintig geleden raakte de Brits-Amerikaans-Indiase auteur Jhumpa Lahiri verliefd op het Italiaans. Ze besloot in die taal verder te schrijven aan haar oeuvre. Dat bestond toen al uit meerdere succesvolle boeken in het Engels, zoals Interpreter of Maladies (vertaald als Een tijdelijk ongemak). Inmiddels is ze ook in Italië een bekende auteur van verhalen, gedichten, essays en de roman Dove mi trovo (Waar ik nu ben). De helft van het jaar woont ze in Rome, de andere helft in de Verenigde Staten.
Lahiri’s ouders waren van huis uit Bengaalstalig, maar omdat ze opgroeide in Groot-Brittannië en later in de Verenigde Staten, was het Engels de logische taal voor haar proza. Ze werd een succesvolle fictieschrijver. En toen kwam die verliefdheid.
Perché l’italiano? (‘Waarom Italiaans?’) is een boek over die radicale keuze, een boek over wat het betekent – wat een voorrecht het is – om tussen verschillende talen te leven. Het laat zien wat de voordelen zijn van schrijven in een taal die net niet de jouwe is: je stijl wordt soberder en er blijft een zekere afstand bestaan. Het is een liefdesverklaring, niet alleen aan het Italiaans, maar aan het meertalige leven en aan de kunst van het vertalen.
Wie heeft er niet van gedroomd een vreemde taal te leren? En zich vervolgens laten afschrikken door de obstakels: te oud, te weinig tijd, te moeilijk? Lahiri begon haar studie van het Italiaans op haar veertigste en is inmiddels dus ook in Italië een beroemd schrijver. We hoeven ons niet op te sluiten in onze taal. Lahiri bewijst dat we kunnen losbreken. <<
