Als een buitenaards wezen een bewoner van planeet Aarde zou ontmoeten, zou het steil achteroverslaan van de energie die de mens steekt in taal. Dat stelt Freek Van de Velde, die met zijn boek Wat taal verraadt de Taalboekenprijs 2025 won. “Dat enorme hoofd van ons moet enorm kraken en pompen om die taal te produceren. We onderschatten hoe complex dat is.”

We zien de taal vaak als niet meer dan een werktuig. Een middel om onze gedachten mee uit te drukken, om tot wederzijds begrip te komen. Puur als communicatiemiddel dus. Maar taal is veel meer dan dat, laat Freek Van de Velde zien in zijn boek Wat taal verraadt. We gebruiken taal niet alleen als communicatiemiddel, maar ook om te laten zien wie we zijn en om mee te pronken. Vanuit evolutionair oogpunt is het compleet uit de hand gelopen, meent de hoogleraar, die alles weet van taalevolutie. “De taal heeft ons brein gekaapt: hij is met ons aan de haal gegaan.”

We doen ontzettend veel verschillende dingen met taal: van wetteksten maken tot poëzie schrijven. Maar we geven er ook stukjes van onze identiteit mee bloot. Freeks eigen Vlaams-Brabantse accent verraadt bijvoorbeeld dat hij is opgegroeid in de buurt van Leuven, zijn toonhoogte dat hij een man is en zijn uitgebreide woordenschat verklapt dat hij waarschijnlijk hoogopgeleid is. Ook is zijn stem, zoals hij zelf zegt, met de jaren iets krakeriger geworden, waardoor mensen misschien kunnen inschatten dat hij 46 jaar oud is. Zijn taalgebruik is ook nog eens begerenswaardig: snelle, vlotte zinnen met mooie metaforen. Niet voor niets werd hij hierom geprezen door de jury van de Taalboekenprijs, die zijn boek verkoos tot beste taalboek van 2025.

Freek Van de Velde

Freek Van de Velde (Leuven, 1979) is hoogleraar Nederlandse en historische taalkunde aan de Universiteit van Leuven. Daar doet hij onderzoek en geeft hij colleges over taalvariatie, taalverandering, kwantitatieve taalkunde en culturele evolutie. Hij behaalde zijn master in de Germaanse taal- en letterkunde aan de Universiteit van Leuven, schreef daarna een proefschrift en deed meerdere postdoc-projecten. Van de Velde is een veelgevraagd gastschrijver en -spreker voor onder andere De Standaard, VRT Radio 1, Neerlandistiek, Neerlandia en de lage landen. Met het in 2024 verschenen boek Wat taal verraadt. Een kleine geschiedenis van brein tot beschaving won hij de Taalboekenprijs 2025.

Uit zijn isolement

We treffen elkaar in Leiden, waar Freek vandaag toevallig een afspraak had, maar normaal zit hij in Leuven. Daar is hij hoogleraar Nederlandse taalkunde en historische taalkunde. Het idee voor zijn boek Wat de taal verraadt ontstond tijdens het voorbereiden van zijn colleges, vertelt hij. “Door de digitalisering is de taalkunde in de afgelopen decennia uit zijn isolement gebroken. Doordat zoveel taalkundige data online zijn gekomen, kunnen andere vakgebieden die meenemen in hun onderzoek. Daardoor is de taalkunde nu nauw verweven met vakgebieden als antropologie, taalfilosofie, sociologie, biologie, archeologie en paleontologie. Dat wilde ik graag delen met het grote publiek.”

Die ontwikkeling heeft volgens Freek ook te maken met een andere ontwikkeling binnen de taalkunde: langzaam is de focus van het onderzoek verlegd van universalia in taal (kenmerken die in alle talen wereldwijd voorkomen, een stroming die groot is geworden door de Amerikaanse taalkundige Noam Chomsky) naar variatie in taal, zoals die bestudeerd wordt in de sociolinguïstiek. Deze taalkundige stroming laat zien dat je taalgebruik heel sterk bepaald wordt door allerlei sociale factoren. Zoals je geslacht, je leeftijd, de regio waar je vandaan komt en je socio-economische status.

Leermeesters

Dat hij zelf nooit zo in de ban is geweest van de chomskyaanse taalkunde, komt volgens Freek ook omdat deze stroming aan de universiteiten van Leuven en Gent minder dominant was dan aan de Nederlandse universiteiten. Hij noemt het de ‘wet van de remmende voorsprong’: doordat de taalkunde van Chomsky minder haar stempel drukte op het taalkundig onderzoek en onderwijs in Vlaanderen, kon de sociolinguïstiek er eerder tot bloei komen.

Al in de jaren zeventig introduceerde Guido Geerts de sociolinguïstiek in Leuven. Freek kreeg college van diens opvolgers, onder wie Joop van der Horst. “Hij gaf historische taalkunde en had oog voor de sociale context. Dat is niet alleen het domein van de sociolinguïstiek, maar het speelt ook een grote rol in de historische taalkunde: die drukt je met de neus op de feiten dat taal veranderlijk is en regionaal verschillend, en dan komen sociale factoren al snel om de hoek kijken. Ik was begeesterd door de colleges die Joop destijds gaf.”

Begeestering

Die begeestering had ook te maken met het taalgebruik van zijn leermeester, vertelt Freek. “Joop gebruikte metaforen die mij bijbleven en die mijn eigen taal hebben beïnvloed. Zo maakte hij een onderscheid tussen twee typen woorden. Enerzijds heb je woorden zoals verwarmingssleuteltjes: die kun je alleen gebruiken voor het ontluchten van de verwarming. Stierlijk is zo’n woord: dat is alleen te gebruiken in combinatie met het werkwoord vervelen. Maar er zijn ook woorden als aardappelmesjes: je kunt ze voor alles gebruiken, inclusief het ontluchten van de verwarming. Dat geldt voor het woordje dat, dat allerlei functies heeft: van onderschikkend voegwoord tot betrekkelijk voornaamwoord.”

Gaan we nog iets verder terug in de tijd, dan zien we dat Freeks fascinatie voor historische taalkunde voor het eerst ontstond op het gymnasium. Latijn en Grieks waren zijn favoriete vakken. “Als dertienjarige zag ik een taalsysteem dat radicaal anders werkt dan ik gewend was. In allerlei opzichten lijken het Engels en Frans toch wel erg veel op het Nederlands. De klassieke talen hadden voor mij iets exotisch: ze brachten me naar een andere wereld en een andere tijd. Ik was natuurlijk ook gebiologeerd door de verhalen van Vergilius en Ovidius. Ik heb lang getwijfeld of ik klassieke talen zou studeren, maar ik koos uiteindelijk voor de Germaanse talen: Nederlands en Engels.”

Freek Van de Velde: “Een kind kan aan zijn ouders uitleggen dat het wil eten, maar heeft daarnaast een onbedwingbare neiging om ze de oren van het hoofd te kletsen.”

Pauwenstaart

Nu, zoveel jaren later, is Freek nog steeds gefascineerd door taal, want “misschien is het een platitude, maar taal is wat ons mens maakt”. In de menselijke evolutie zijn we steeds meer energie gaan steken in onze taal. In vergelijking met andere diersoorten verbruikt ons taalvermogen heel veel calorieën. Hoe dat in de evolutie zo gekomen is, blijft speculeren, maar Freek neemt ons graag aan de hand. “Stel: een vogel moet een nest leren bouwen. Dan moet dat ergens in zijn genoom ingebrand worden, zodat volgende generaties dat instinctief kunnen. Maar in ons gebruik van taal zijn we eigenlijk steeds meer losgekomen van ons DNA. Dat is een ‘major transition’, zoals biologen het noemen: dat we als mens niet alleen bepaald worden door onze genetische aanleg, maar ook door wat we overgedragen krijgen via onze cultuur. We doen eigenlijk veel meer met die taal dan strikt genomen noodzakelijk is voor pure overleving. Een kind kan aan zijn ouders uitleggen dat het wil eten, maar heeft daarnaast een onbedwingbare neiging om ze de oren van het hoofd te kletsen.”

Volgens Freek hebben taalkundigen zich te lang blindgestaard op het idee dat taal er vooral is om informatie over te dragen. Dat is een idee uit de Verlichting. In de achttiende eeuw ging men op zoek naar de ‘beste’ taal, en dat was de taal die het meest logisch in elkaar zat. De taal waarmee je het helderst kon communiceren. Het Frans en het Latijn werden lang als voorbeeldtalen gezien, omdat hun grammaticale systemen zo helder georganiseerd waren.

In de negentiende eeuw volgde als reactie op dit verlichtingsdenken de Romantiek, waarbij het idee ontstond dat taal iets uitdrukt over de volksaard. “Dat is eigenlijk sociolinguïstiek avant la lettre”, zegt Freek. “Los daarvan schreef Charles Darwin, de grondlegger van de evolutietheorie, in die tijd al dat taal ook heel duidelijk de functie heeft om elkaar het hof te maken. De taal als pauwenstaart. Maar het is altijd en-en. Als iemand een verhaal vertelt, ook in vroegere jager-verzamelaarsculturen rondom een vuur, dan moet dat meeslepend zijn. Maar overleggen over de jacht is weer puur informatieoverdracht. Het zou ook best kunnen dat taal zijn oorsprong vindt in de balts: net zoals vogeltjes elkaar verleiden met hun gezang.”

Beeldende taal

Wat opvalt in het boek Wat taal verraadt van Freek Van de Velde, is zijn beeldende taalgebruik: “Taal is geen stelsel van regels, die je kunt vastleggen in een spraakkunst of woordenboek. Ze is ook niet louter een communicatiemiddel, een nuttig stuk alaam uit de gereedschapskoffer van Homo sapiens om ideeën uit te wisselen. Taal is meer een losgebroken, steigerende mustang, die met diepe hoefafdrukken onze menselijke soort vertrappelt, en die we, als individu, als gemeenschap, als biologische soort, met wisselend succes proberen te temmen en te berijden.”

Pionierswetenschap

Wat taal verraadt gaat voor een groot deel over de evolutie van taal. Dat daar lange tijd niet over geschreven is voor het brede publiek, komt volgens de auteur doordat evolutionaire biologie niet goed op de kaart staat bij veel taalkundigen. “Het heeft altijd de reuk gehad van: te veel nature en te weinig nurture.” Maar die argwaan is er ook tegenover andere wetenschappelijke disciplines, wat de samenwerking niet altijd bevordert. Hij ziet ook wel dat sommige wetenschappers van buiten de taalkunde “met vuile modderlaarzen door taalkundige data banjeren” – oftewel: te snelle conclusies trekken op basis van de ruwe data. Maar toch is hij van mening dat taalkundigen naar buiten moeten treden.

Dat de taalkunde wat in zichzelf gekeerd is, heeft volgens hem te maken met het roemrijke verleden. “Taalkundigen zijn een tijdlang – dat begon in de negentiende eeuw – de pionierswetenschappers geweest. De Duitse taalkundige August Schleicher maakte rond 1850 furore met zijn stamboom van taalfamilies. En taalkundigen konden toen al reconstrueren hoe taal geklonken moet hebben voordat er middelen waren om die taal vast te leggen. Dus dat bracht een enorme fascinatie teweeg bij andere wetenschappers. Iemand als Darwin schreef met grote bewondering over de taalkunde. Maar dat prestige is inmiddels wat afgekalfd.”

“De taalkunde opereert nog vanuit het idee dat die van alles heeft bedacht en dat het aan anderen is om daar kennis van te nemen. Om zich te verdiepen in ons jargon. Ik heb overigens grote bewondering voor die mensen die een beetje moeilijk zijn en met hun vak vergroeid. Maar het hindert wel enigszins de samenwerking met andere disciplines.”

Freek Van de Velde: “Wetenschappers van buiten de taalkunde banjeren soms met vuile modderlaarzen door taalkundige data. ”

Motorkap openmaken

Zelf is Freek juist op zoek naar de grenzen tussen taalkunde en andere disciplines. Daar liggen voor hem ook de vraagstukken voor toekomstig onderzoek. Zo gaat een hoofdstuk van zijn boek over forensische taalkunde – een onderwerp waar hij eigenlijk veel meer over zou willen weten. Want hoe fascinerend is het wel niet dat taal in geluidsopnames of tekstberichten kan helpen bij het oplossen van een misdaad? Daarnaast is Freek nog steeds, net als die dertienjarige jongen die hij ooit was, gefascineerd door mythologie. Daar zou hij ook weleens een boek over willen schrijven. Die mythologie heeft volgens hem veel parallellen met de taal: in beide zijn immers universele patronen én variatie te ontdekken.

Maar ook op een andere manier zijn mythologie en taal onlosmakelijk met elkaar verbonden, legt de taalkundige uit. “Historische taalkunde is lang een middel geweest om die mythologische werelden te ontsluieren. Oudengels hebben we nodig gehad om Beowulf te lezen, Oudsaksisch om de Heliand te lezen, Oudgrieks om de geschriften van Homerus te ontcijferen. En daar is de taalkunde uit ontstaan – eigenlijk als hulpwetenschap voor andere wetenschappelijke disciplines. De raakvlakken tussen al die afzonderlijke vakgebieden, die vind ik eigenlijk het meest fascinerend. Daarbij ben ik altijd op zoek naar de versluierde realiteit: de wereld die je pas ontdekt met onderzoek. De motorkap openmaken, achter het gordijn kijken: in die zin is taalkunde helemaal niet anders dan andere wetenschappen.” <<

Beluister hier de podcastaflevering van Over taal gesproken met Freek Van de Velde.