De bakkersvrouw wees me op de geldwisselmachine die ze sinds de herinrichting hadden. Ik keek hoe een gleufje mijn verrimpeld bankbiljet opslokte en een droefheid overviel me. Weer een menselijke interactie die verdwijnt, met de bijbehorende gesprekjes. ‘Dat is helemaal gepast’, of ‘Probeer je een geldboom te zaaien?’ als je een muntje op de grond laat vallen. Ook die clichés hebben waarde, als ritueel om telkens weer te doorlopen.

De eurocentjes kletterden verongelijkt in het daarvoor voorziene bakje. Ook voor hen was het nog wennen. Ik wilde ‘Dank u’ zeggen tegen de bakkersvrouw. Maar ze beschouwde ons contact al als afgerond en keek vragend naar de volgende klant. Nog tijdens mijn leven zal elke menselijke interactie verdwenen zijn, dacht ik plots dramatisch. Ontredderd bekeek ik de rij. Enkel de klant die aan de beurt was, sprak een paar woorden. De andere mensen tuurden op hun telefoon. Waar waren de gesprekken? Een uitbundige anekdote die dringend meegedeeld moest worden? Het zachte gepraat waaraan je herkende dat er geroddeld werd?

Moest ik voor het buitenstappen toch nog afscheid nemen van de bakkersvrouw? Principieel vond ik van wel, ik prevelde een ‘Dag’ maar ze hoorde me niet. Zelfs het middenstandersriedeltje ‘Jadankutotziensdankuweltotdevolgendekeerdaag!’ wordt een bedreigde spreeksoort. Bedremmeld draaide ik me om naar de uitgang en liep mezelf bijna een neusbreuk toen de deur weigerde open te schuiven. Ik keek om; de bakkersvrouw merkte me nu wel op. Verveeld en woordeloos wees ze me op een drukknop op de toonbank. Ik deed wat me bevolen werd; de deur schoof open. Even voelde ik een opwelling om de bakkersvrouw nog toe te roepen: ‘Mijn medeleven!’ Ze zou me verwonderd vragen: ‘Waarmee?’ En ik zou zeggen: ‘Met het overlijden van de warme bakker.’ Natuurlijk durfde ik weer niet en stapte ik zwijgend buiten.

Wouter Deprez