Na een gezellig etentje in een Amsterdams restaurant staan mijn moeder, mijn dochter Ava en ik weer buiten. “Gaan jullie te voet naar huis?”, vraagt Ava, die vier jaar geleden in Nederland is komen studeren. “Te voet?”, vraagt mijn moeder lachend. “Ja hoor, wij gaan voeteren”, voeg ik er in onvervalst Surinaams-Nederlands aan toe. Het taalspelletje meespelend zegt Ava tegen mij: “Nou, jij bent anders lekker aan het wandelen hier in Nederland.” Wandelen betekent in Suriname ‘reizen’. En als je dan toch op reis bent, kun je best hangmatteren en parboreren tegelijk: in een hangmat liggen met een Surinaams Parbo-biertje erbij.

Het Surinaams-Nederlands is een levendige variant van het Nederlands met eigen woorden en specifieke zinsconstructies, vaak letterlijk vertaald uit het Sranantongo. De taalvariant kent werkwoorden die soms Nederlands klinken, maar op een andere manier worden gebruikt. “Je winkelwagentje stoten!”, zegt Ava enthousiast. Stoten betekent in deze context ‘duwen’. “Een ballon bossen”, kaats ik terug, waarmee ik een ballon kapotmaken bedoel. “Sinds wanneer bril jij, eigenlijk?”, troeft Ava mij af. Brillen is in het Surinaams- Nederlands een doodnormaal werkwoord. “Meisje, al jaren!”, zeg ik met een Surinaamse tongval, terwijl ik mijn bril hoger op mijn neus duw. Lachend stapt Ava op haar fiets, en mijn moeder en ik zwaaien haar na.

In Suriname strooien mensen ook met de uitspraak: ‘Ik zeg het je!’ – letterlijk vertaald uit het Sranantongo: ‘Mi e taigi yu!’ Op het hoogtepunt van een spannend verhaal kan een luisteraar verbaasd uitroepen: ‘Je jokt!’ Dit hoeft helemaal niet te betekenen dat de spreker onzin vertelt.

Het meest gebruikte stopwoordje is waarschijnlijk toch, dat achter vrijwel elke zin kan klinken, zowel vragend als instemmend, bijvoorbeeld: ‘Suriname is een bijzonder land, toch.’ De luisteraar die het hiermee eens is, kan het gesprek diepzinnig afsluiten met: ‘Dus dat!’

Tessa Leuwsha