Je hebt van die families die in alles een taalsprankel hebben. Essayist en poëziecriticus Guus Middag over een bijzondere ontmoeting en over nieuwe taal.

Van sommige woorden weet ik nog precies wanneer ik ze voor het eerst hoorde, en waar. Het was op dinsdag 14 juni 2022, aan de Hoofdweg Oostzijde 1100 in Nieuw-Vennep, bij de uitvaart van Riemer Reinsma, die een week eerder plotseling was overleden. Toenmalig hoofdredacteur Kees van der Zwan en ik woonden de bijeenkomst bij, namens het tijdschrift waarvoor Riemer zo lang had geschreven: Onze Taal. Na afloop zochten wij even contact met de jongere broer van de overledene, Tjit, die wij allebei ook wel enigszins kenden. Hij zag ons aankomen en hij – ik kan het niet anders omschrijven – monsterde ons. Hij keek peinzend en zocht ergens in de verte, in de kolommen van zijn interne woordenschat, en benoemde toen wat en wie hij voor zich meende te zien: “Aha – de manschap van Onze Taal.”

De manschap. Niet: het manschap. Ook niet: de manschappen. Maar: de manschap. Ik hoorde dat woord toen en daar voor het eerst. Ik kende het niet, maar kon wel zo ongeveer de betekenis ervan vermoeden. Dit moest zoiets zijn als het enkelvoudicum collectivum van de manschappen, gezegd bijvoorbeeld van de bemanning van een schip, of een legeronderdeel – of een taaltijdschrift. Maar er kwam voor mijn gevoel nog wel iets bij. Uit zijn toon meende ik op te mogen maken dat wij in zijn ogen niet zomaar een willekeurige afvaardiging van het tijdschrift waren; er klonk ook een element van goedkeuring en waardering in mee. Wij waren geselecteerd, zo voelde het ineens. Wij namen de honneurs waar, wel degelijk. Wij waren: de manschap.

Gevoelige natuur

Het is inmiddels vier jaar geleden. In het tweeweekblad Argus las ik onlangs een column van Nicolaas Matsier, de schrijversnaam van de broer van Riemer. Hij blikte terug op zijn jaren op de middelbare school, het ’s-Gravenhaagsch Christelijk Gymnasium eind jaren vijftig, begin jaren zestig. Het ging vooral over de lessen Latijn van een leraar met de naam Warners. Deze Warners moet een gevoelige natuur zijn geweest. Hij was niet gepromoveerd, en zelfs niet afgestudeerd, schreef Matsier. “Zenuwen hadden het verhinderd.”

Een bijzondere man. Warners had de gewoonte om, terwijl zijn klas probeerde de Aeneis van Vergilius te vertalen, zittend op zijn podium te roken, en dan langzaam in slaap te vallen. “Tussen zijn lippen of in zijn hand was daar intussen de sigaret. Zijn sigaretten hadden geen filter. De askegel groeide langzaamaan maar viel nog niet. Het vuur dat de tabak verteerde kroop onzichtbaar dichterbij. Hij sliep nog steeds. Wij keken ademloos toe. De rook was het enige dat bewoog in het lokaal. Pas toen hij – bijtijds en ongedeerd ontwaakt – het woord weernam, kwamen ook wij weer in beweging.”

Semantische verte

De ideale leraar, kortom. Op meer wakkere momenten maakte hij indruk op zijn leerlingen door de manier waarop hij al proevend en tastend naar de meest adequate vertaling zocht. “Vaak frappeerde hij me door wat hij zei over wat hij woordbeelden noemde. Horrere, sprak hij, onbestemd door dikke brilleglazen omhoogkijkend, zoekend in een of andere semantische verte, horrere, dat is wat een korenveld doet als er wind staat.” Volgens de woordenboeken betekent horrere zoiets als ‘stijf staan’, ‘(van kou) huiveren of rillen’, ‘(van angst) beven of sidderen’. Maar “wat een korenveld doet als er wind staat” is beter. Zoiets vergeet je nooit meer.

Had ik ook maar in dat zolderlokaal gezeten, bij de rokende Warners met zijn langzaamaan groeiende maar nog net niet afvallende askegel. Ook ik zou al zijn zoektochten “in een of andere semantische verte” ademloos hebben gevolgd, en al zijn woordbeelden hebben opgeslagen, net als de andere leden van de daar verzamelde pubes.

Pubes – dat was nog zo’n woord van Warners. Wat betekent pubes? Matsier weet het nog precies. Pubes “dienden [wij] te vertalen met ‘de jonge manschap’”. <<