
Het Afrikaans van nu
Minder stigma’s, meer variatie
Het Afrikaans werd lange tijd gezien als een taal van uitsluiting en onderdrukking. Maar daar komt steeds meer verandering in. Dat is nergens zo goed te zien als bij het Woordeboek van die Afrikaanse Taal, dat na honderd jaar bijna voltooid is.
In de Zuid-Afrikaanse provincie Noord-Kaap kennen ze een woord voor een kortstondig en plaatselijk regenbuitje: komloertjie. Het woord komt van kom en loer – regen die even komt loeren. Het stamt uit het Gariepafrikaans, een dialect van het Afrikaans dat vooral gesproken wordt door niet-witte inwoners.
Komloertjie stond lange tijd in geen enkel woordenboek, net als veel andere woorden uit verschillende Afrikaanse dialecten. Dat heeft alles te maken met de geschiedenis van Zuid-Afrika. Het Afrikaans werd door veel mensen lang gezien als de taal van een invloedrijke groep witte mensen, de zogeheten Afrikaners. Zij speelden onder meer een sleutelrol in de apartheid, een periode van systematische rassenscheiding in het land. Hoewel veel niet-witte bevolkingsgroepen van oudsher ook Afrikaans spreken, werden zij en de dialecten die zij spraken – waaronder het Gariepafrikaans – niet serieus genomen. Niet door de witte sprekers van het Standaardafrikaans, en niet door de vele niet-witte sprekers van andere talen van Zuid-Afrika.
Maar het Afrikaans heeft de afgelopen decennia een opmerkelijke beweging gemaakt: van een taal die werd geassocieerd met uitsluiting en apartheid, naar een die er voor álle sprekers moet zijn, en met veel minder strakke normen dan vroeger. Niets laat die verandering scherper zien dan het grootste woordenboek van het Afrikaans, het Woordeboek van die Afrikaanse Taal, waaraan dit jaar precies honderd jaar gewerkt is.
Snelkookpan
Om te begrijpen welke ontwikkeling het Afrikaans heeft doorgemaakt, moeten we eerst een paar eeuwen verder terug in de tijd. In het midden van de zeventiende eeuw opende de Nederlandse Vereenigde Oostindische Compagnie (VOC) op de Kaap de Goede Hoop een tussenstation voor schepen die onderweg waren naar Azië. Daaromheen ontstond in de jaren erna een veeltalige samenleving. Die bestond uit de oorspronkelijke bewoners van het gebied – de Khoi –, voormalig VOC-personeel uit Nederland, dat er land koloniseerde om boer te worden, en slaafgemaakten uit Azië en uit andere delen van Afrika.
Deze groepen communiceerden noodgedwongen met elkaar in het Nederlands, dat door alle invloeden van andere talen steeds meer afweek van het Nederlands zoals dat in Europa gesproken werd. Bovendien werd Zuid-Afrika in 1806 gekoloniseerd door de Britten en ging het Engels er dus een dominante rol spelen. In die omstandigheden groeide in nog geen tweehonderd jaar een nieuwe taal. Waar het Nederlands in de Lage Landen vele eeuwen heeft liggen sudderen in een braadpan, komt het Afrikaans uit de snelkookpan.
Lange tijd was het Afrikaans een taal zonder aanzien: een ‘kombuistaal’ (kombuis is het Afrikaanse woord voor ‘keuken’), goed voor thuis maar niet voor school, de kerk of de rechtszaal, waar het deftige Nederlands domineerde. Dat veranderde in 1875, toen een genootschap werd opgericht dat het Afrikaans tot schrijftaal wilde verheffen, met een eigen krant: Die Afrikaanse Patriot.
Uit die eerste taalbeweging, waarbinnen witte sprekers de dienst uitmaakten, groeide een cultureel en algauw ook een politiek nationalisme. Met resultaat: het Afrikaans werd in 1925 in de wet verankerd als officiële taal van Zuid-Afrika, naast het Engels. Het verving daarmee het Nederlands, dat voor Afrikaanssprekende kinderen op school inmiddels een vreemde taal was geworden. Het gold bovendien als een instrument van emancipatie tegen de Britse kolonisator.
Uitsluiting
Een officiële taal heeft een woordenboek nodig, vond men. In 1926 begon daarom het werk aan het Woordeboek van die Afrikaanse Taal (WAT). Aanvankelijk was het plan bescheiden, vertelt de huidige WAT-hoofdredacteur Phillip Louw: “Eén handzaam deel, een standaardwoordenboek dat zou vastleggen hoe je het netjes hoorde te zeggen.” Maar gaandeweg drong het besef door dat dit een omvattend woordenboek moest worden, dat de taal béschreef in plaats van vóórschreef. Als inspiratie daarvoor diende het Woordenboek der Nederlandsche Taal (WNT), waaraan gewerkt werd tussen 1864 en 1998. Het doel was “een zo volledig moontlike [= mogelijk] beeld te gee van die Afrikaanse taalskat in sy ruimste omvang”, schreef toenmalig hoofdredacteur P.C. Schoonees in het voorwoord van het eerste deel, dat in 1951 verscheen en woorden bevatte met de beginletters A, B en C.
Maar in de praktijk werden delen van de ‘taalskat’ genegeerd, vertelt huidige WAT-redacteur Jana Luther. “Het woordenboek beschreef aanvankelijk vooral de taal van de universiteit, de kerk en de krant” – waar Afrikaners eerder het Nederlands voor hadden gebruikt. In de tijd dat Schoonees zijn voorwoord schreef, was het Afrikaans inmiddels het instrument geworden van het apartheidsregime. Het was de taal van de regerende Nationale Partij, van de Nederduits-Gereformeerde Kerk, van de universiteiten waar de architecten van het apartheidssysteem waren opgeleid. Het werd daarmee een instrument van uitsluiting, bijvoorbeeld van de vele inwoners in Zuid-Afrika die een andere taal spraken.
Dat kwam op een pijnlijke manier aan het licht in 1976. Toen het regime bepaalde dat op zwarte scholen voortaan een deel van de vakken in het Afrikaans moest worden gegeven, in plaats van in het Engels, kwamen de scholieren van de township Soweto in Johannesburg in opstand. Er vielen tientallen, misschien honderden doden door politiegeweld, onder wie veel kinderen. Voor een hele generatie werd het Afrikaans daarmee de taal van de onderdrukker.
Andere koers
Die geschiedenis werkt nog na in het heden, vertelt taalkundige Elvis Saal van de Universiteit van Zuid-Afrika, die de variatie binnen het Afrikaans bestudeert en zelf uit het noordwesten komt. “Er bestaat”, zegt hij, “een hardnekkige afkeer van het Afrikaans, en zelfs onder sprekers een gevoel dat de taal ‘bevrijd’ moet worden van haar verleden.” Het WAT is in dat verleden nooit een neutrale toeschouwer geweest, aldus Saal. “Het bureau van de woordenboeksamenstellers staat in Stellenbosch, de historische bakermat van het Afrikanernationalisme, en het documenteerde lange tijd braaf alleen de standaardtaal.”
Maar de laatste decennia is het woordenboek een andere koers gaan varen. Dat begon met het einde van de apartheid in 1994, waarna het Afrikaans zijn bevoorrechte positie verloor. Waar het decennialang samen met het Engels de dominante taal was geweest, werd het voortaan een van de maar liefst elf officiële talen – sinds 2023, met de erkenning van de gebarentaal, zelfs een van de twaalf. De Afrikaanstalige universiteiten schakelden voor een groot deel over op het Engels; het Afrikaans werd er, zoals Saal het zegt, “een bedreigde soort”. Ook in andere delen van de maatschappij rukt het Engels op, onder meer omdat het gezien wordt als neutraal en internationaal. “Het Afrikaans”, zegt Saal nuchter, “voert een strijd om te overleven.”
Tegelijkertijd gebeurde er iets anders. Juist doordat de taal haar officiële macht kwijtraakte, kwam er ruimte voor de veelvormigheid van de taal. De meerderheid van de Afrikaanssprekers is van oudsher helemaal niet wit, en de variëteiten die zij spreken zijn de afgelopen decennia veel serieuzer genomen. Saal: “In de taalwetenschap was daar al in de jaren tachtig een golf van belangstelling voor; met de recente dekolonisatiebeweging is die teruggekeerd.” Sinds de eeuwwisseling spreekt men bovendien ook bui ten academische kringen over de vraag of het Standaardafrikaans niet grondig zou moeten worden herijkt, zodat het breder wordt en minder wit.
Tegelijkertijd gebeurde er iets anders. Juist doordat de taal haar officiële macht kwijtraakte, kwam er ruimte voor de veelvormigheid van de taal. De meerderheid van de Afrikaanssprekers is van oudsher helemaal niet wit, en de variëteiten die zij spreken zijn de afgelopen decennia veel serieuzer genomen. Saal: “In de taalwetenschap was daar al in de jaren tachtig een golf van belangstelling voor; met de recente dekolonisatiebeweging is die teruggekeerd.” Sinds de eeuwwisseling spreekt men bovendien ook buiten academische kringen over de vraag of het Standaardafrikaans niet grondig zou moeten worden herijkt, zodat het breder wordt en minder wit.
Taal op zichzelf
Het WAT is meegegaan in die beweging. Hoofdredacteur Phillip Louw: “Het Standaardafrikaans is niet meer dan één variëteit naast de andere, geen betere of slechtere.” Er zijn drie historische variëteiten die afwijken van de standaardtaal: het Kaaps van Kaapstad, het Gariepafrikaans van de NoordKaap en het Oosgrensafrikaans van sprekers die in de loop der tijd naar het oosten trokken – en het WAT probeert ze alle drie recht te doen. Een project om unieke Kaapse woorden op te nemen is net afgerond; uit het Gariepafrikaans heeft men inmiddels achthonderd nieuwe woorden toegevoegd, “wat tog al meer is as wat ’n mens sou dink”, aldus Louw.
Afrikaans uit alle windstreken
dwaalbos: ‘Cannabis’ in het Gariepafrikaans, letterlijk ‘de struik die je laat dwalen’.
kapokpop: ‘Sneeuwpop’, in het Afrikaans dat migranten ooit naar het Zuid-Amerikaanse Patagonië hebben gebracht; kapok betekent ‘sneeuw’ en dat komt dan weer uit het Maleis.
sjoekran en trammakassie: Twee manieren om in het Kaaps ‘dankjewel’ te zeggen, de ene Arabisch, de andere Maleis.
twansie: Als iets twansie, dan kantelt het en dreigt het om te vallen. Het woord komt waarschijnlijk uit het Tswana, een van de elf andere officiële talen van Zuid-Afrika.
woelag: In het Kaaps een uitroep van opperste goedkeuring: zelfs een broek kan woelag zijn.
Ook de woordenboekredactie zelf is van gedaante veranderd. Sinds de democratisering van Zuid-Afrika staat het WAT niet langer op zichzelf, maar is het een van de elf nationale woordenboekredacties binnen een overkoepelende organisatie, één voor elke officiële taal (hier komt gebarentaal binnenkort bij). En omdat het WAT de oudste en verstgevorderde woordenboekredactie is, leiden WAT redacteuren nu de jongere redacties op.
Dat openstellen gaat niet zonder wrijving. Elvis Saal wijst op de keerzijde: “Doordat het urbane Kaaps de meeste aandacht krijgt, dreigen andere variëteiten opnieuw te worden gemarginaliseerd.” Dat het Kaaps zo op de voorgrond staat, heeft volgens Saal minder te maken met de taal zelf dan met haar geschiedenis: het Kaaps heeft “politiek kapitaal”, een traditie van verzet tegen de apartheid. Sommige activisten willen inmiddels een stap verder gaan en het Kaaps niet langer als variëteit van het Afrikaans zien, maar als een taal op zich.
Herwaardering
Al met al is er een fundamentele herwaardering van het Afrikaans. Saal: “De geschiedenis van het Afrikaans begint in de zestiende eeuw, en de Khoi waren de eersten om veranderingen aan te brengen in de taal.” Vanuit dat perspectief is het Afrikaans geen afstammeling van het Nederlands die toevallig in Afrika is beland, maar van meet af aan een Afrikaanse taal, mede gevormd door de oorspronkelijke bewoners.
Het Woordeboek van die Afrikaanse Taal nadert na honderd jaar zijn voltooiing – momenteel werkt de redactie aan de letter V. Maar, zegt WAT-redacteur Jana Luther, “zodra de Z klaar is, begint het werk opnieuw bij de A” – niet alleen om de oudste delen bij te werken, maar ook om er nog een oude laag racistische en kwetsende woorden uit te wieden die er tot op de dag van vandaag in verscholen zitten.
De reputatie van het Afrikaans blijft intussen gespleten. Voor de een is het nog altijd de taal van de apartheid, voor de ander is het een inclusieve Afrikaanse taal die zich, samen met het Zoeloe en het Xhosa, teweer probeert te stellen tegen de overmacht van het Engels in het huidige Zuid-Afrika. Taalkundige Elvis Saal: “Engels is letterlik ons eie grootste vyand. Ouders willen hun kind goed Engels laten leren en dat bedreigt uiteindelijk al onze talen.”
Volgens WAT-redacteuren Louw en Luther heeft het Afrikaans wel een voordeel boven andere Zuid-Afrikaanse talen: “Door al die jaren van investering heeft het Afrikaans een infrastructuur, een woordenboek, een taalwetenschap, die de andere talen nog niet hebben kunnen opbouwen.” Door samen te werken kunnen de liefhebbers en sprekers van al die talen van Zuid-Afrika een echt meertalig land maken. <<
