
Hoax
Over de herkomst van onze woordenschat
Etymologe Nicoline van der Sijs gaat na waar hoax vandaan komt (en wat het eigenlijk betekent): “Hoax is verwant met hocus-pocus, dat ‘goochelaarij’ betekende.”
In onze buurtapp verschenen onlangs verontrustende berichten over oplichters die zich voordeden als medewerkers van het Nationaal Instituut voor de Statistiek en de Volkstelling. De politie haastte zich de berichten tegen te spreken: die nepvolkstellers bestonden helemaal niet. Het ging, aldus de politie, om een hoax of, op z’n Nederlands, een vals gerucht.
Olijke bluf
Sinds wanneer noemen we een vals gerucht in het Nederlands eigenlijk een hoax?
Volgens Van Dale pas heel kort, want dit woordenboek zegt erover: “computerterm; vals bericht over bv. computervirussen, goede doelen, zieke kinderen.” Maar uit de online krantenbank Delpher blijkt dat het woord veel ouder is dan de computer. Zo schreef een krant in 1835 over een Londense jongeman “van een bijzonder goed uiterlijk voorkomen en fikse gestalte” die dienst nam in het leger, maar zich na een paar uur als jong meisje bekendmaakte, “verklarende deze hoax (grap) alleen gedaan te hebben, om zich te vermaken en eenig geld te verdienen”.
Een paar jaar later, in 1849, nam het Algemeen Handelsblad een ingezonden brief op waarin de term genoemd werd. Die brief sprak tegen dat een zekere Jan Nierop in 1798 een middel had uitgevonden om van Hollands duinzand wit glas te maken: “dat het niets anders gebleken is te zijn dan eene hoax, eene olijke bluf, en de verdienstelijke Burger Jan Nierop niet veel minder dan een bedrieger.”
De term hoax komt in het Nederlands dus al voor sinds de negentiende eeuw, maar werd tot voor kort spaarzaam gebruikt. Tussen 1832 en 1999 werd het woord nog geen 500 keer in kranten genoemd (gemiddeld dus 3 keer per jaar), terwijl dat aantal tussen 2000 en 2026 opliep tot 1286 keer, ofwel 50 keer per jaar.
Hocus-pocus
Hoax gaat terug op een Engels werkwoord dat ‘voor de gek houden’ betekende, en dat in 1788 werd gekarakteriseerd als ‘studentikoze humor’. Hoe kwamen die studenten er nu op? Hun hoax (uitgesproken als ‘hooks’) was een samentrekking van hocus. En ja, dat woord is inderdaad een verkorting van hocus-pocus (1624), dat ‘goochelaar, goochelarij, bedriegerij’ betekende, en dat wij in het Nederlands ook kennen.
Eigenlijk was hocus-pocus een namaak-Latijnse bezweringsformule, waarmee een illusionist indruk wilde maken op zijn publiek. Het woord komt in veel West-Europese talen voor, waarschijnlijk als ontlening aan het Engels. In ieder geval dankt het woord zijn bekendheid aan de titel van een beroemd, vele malen herdrukt geïllustreerd handboek voor goochelaars-illusionisten, Hocus pocus junior uit 1634, met tips over hoe je de schijn kunt wekken een degen te slikken of je neus half af te snijden. Hocus- pocus is misschien een verbastering van het Latijnse hoc est corpus (meum), ‘dit is mijn lichaam’, de woorden van een priester bij het uitdelen van de hostie. Maar zeker is dit niet. Als bron wordt ook wel gewezen op de namaak- Latijnse toverformule hax, pax, max (deus adimax), die rondtrekkende studenten in de zestiende eeuw soms bezigden.
De hoax begon zijn bestaan dus als goochelaarsillusie en studentengrap, maar wordt tegenwoordig gebruikt om paniek te zaaien of desinformatie te verspreiden, zo bleek uit het bericht over de nepvolkstellers. Tijdens zijn volwassenwording heeft de hoax zijn onschuld dus helaas verloren. <<
