
Hoe er steeds meer vaste verbindingen in het Nederlands komen
Een schot voor de boeg, in de maling nemen, het ergens op gemunt hebben … In het Nederlands wemelt het van de vaste verbindingen. Het voelt of mensen al vanaf het begin der tijden dingen onder vier ogen konden bespreken of dat ze altijd al op voet van oorlog stonden met elkaar, maar zo is het niet: het Nederlands is veranderd – grondig veranderd. Neem nu het Middelnederlands, een voorloper van het huidige Nederlands, dat werd gesproken tussen 1200 en 1500. Daar bestaan vaste verbindingen wel: goom nemen (‘aandacht geven’), ergens klein op mikken (‘geen acht slaan op’) en met sporen slaan (‘spoorslags rijden’), maar het waren er veel minder dan we tegenwoordig aantreffen.
Het Nederlands en de andere Europese talen hebben in de afgelopen eeuwen een wildgroei van vaste verbindingen gekend. We spreken en schrijven meer in brokken. Kant-en-klare stukken met een eigen betekenis. Een beetje alsof je voor je lasagne niet zelf bechamelsaus maakt met boter, bloem, melk en nootmuskaat, maar een pakje voorgemaakte bechamelsaus koopt. Of meteen een hele lasagne uit het vriesvak.
Teamverband
Die verklontering van het Nederlands loopt nog steeds door. Dat blijkt uit onderzoek dat ik samen met collega Robbert De Troij heb gedaan, naar tijdschriftartikelen in de afgelopen 150 jaar. We hebben in alle zinnen steeds gekeken naar groepjes van drie woorden. In een zin als ‘Hij stond lang te twijfelen of hij naar binnen zou gaan’ levert dat dus trio’s op als hij stond lang, stond lang te, lang te twijfelen, enz., met een soort van schuivend venstertje over de tekst.
Het is een blinde procedure, want we kijken dus niet naar bekende vaste verbindingen, maar naar álle combinaties van drie woorden die naast elkaar staan. Soms zit daar iets bij wat je met enige goede wil een vaste verbinding kunt noemen (komt hierop neer, nooit ofte nimmer, in elk geval), maar vaak zijn het gewoon flarden die verschillende keren voorkomen: de bescherming die, voor de stad, worden door de. Het fascinerende is dat die digitale bulldozermethode laat zien dat woorden minder vrij verbonden worden, en meer in teamverband optreden. Met het blote oog kun je het niet goed zien, want als lezer merk je die verklontering alleen bij echte vaste verbindingen, type het loodje leggen, in een mum van tijd, maar het is een proces dat de taal in zijn diepste vezels aantast. Met de juiste statistiek zie je het Nederlands zich sluipenderwijs organiseren in kleine triumviraatjes.
Prediker-principe
De verklaring, denken we, is te vinden in wat taalkundige Harald Baayen het ‘Predikerprincipe’ noemt, naar het oudtestamentische boek Prediker. Daarin verzucht de sombere leraar: “Want wie veel wijsheid heeft, heeft veel verdriet. En wie kennis vermeerdert, vermeerdert smart.” Het idee is dat de samenleving complexer geworden is, en dat die toegenomen complexiteit veel nieuwe woorden en concepten in het Nederlands heeft binnengebracht. Het kost moeite om het juiste woord te vinden op het juiste moment. Hoe meer je weet, hoe lastiger het vaak is om iets uit je geheugen op te diepen. Wie veel mensen kent, vergeet weleens een naam bij een gezicht. Voor een kleuter, die maar een handjevol mensen kent, is dat ondenkbaar.
Wat doen sprekers van het Nederlands onder de toegenomen druk van een uitdijend woordbestand? Minder vrij combineren, en meer in vaste verbindingen spreken. Dat haalt de druk van het vat voor onze taalverwerkende hersenen. Er zijn inderdaad aanwijzingen dat het zo werkt: bij bijvoorbeeld voetbalcommentatoren, die onder hoge spreekdruk staan, hoor je steeds maar weer ‘dat de bal rond is’, of na een goal: ‘dan krijg je een heel andere wedstrijd’. Het aantal vaste verbindingen gaat dan de hoogte in.
Die grotere voorspelbaarheid door in vaste brokken te spreken dient niet alleen de auteur, maar helpt ook de lezers: hoe voorspelbaarder een tekst, hoe makkelijker die gelezen kan worden. Wie veel leest, kan ook beter voorspellen welk woord gaat volgen, zo blijkt. Grote taalmodellen zoals ChatGPT doen eigenlijk niks anders.
Houvast voor ons brein
Vaste verbindingen helpen de taalgebruiker dus. En dat geldt niet alleen voor clichés als de bal is rond en met het mes op de keel. Wie goed kan schrijven, gebruikt ‘collocaties’: woorden die vooral voorkomen met specifieke andere woorden, zoals stierlijk dat vooral voorkomt met vervelen, ambities met koesteren – en avonturen, daar stort je je in. Iets vergelijkbaars zien we bij voorzetsels. Die zijn niet zomaar inwisselbaar te gebruiken: bij zich hoeden hoort voor, bij zich bekommeren hoort om. Ook dat is allemaal strakker geworden in het Nederlands. Bij hoeden kon in het Middelnederlands nog van voorkomen, naast voor, of een naamvalsconstructie als Hoed u dies! (‘Hoed u hiervoor!’).
Je zou kunnen zeggen dat al die vaste verbindingen houvast bieden voor ons brein, dat moet navigeren door een tekst. Het Nederlands maakt er druk gebruik van. Hoe complexer de zin, hoe meer voorspelbare ankerpunten erin komen.
Dwangclichés
Met alle taal die wij in ons hoofd hebben zitten, zijn wij sterren geworden in het zo snel mogelijk tevoorschijn toveren van kant-en-klare brokjes tekst. Misschien wel het duidelijkst wordt dat bij het verschijnsel dat Paulien Cornelisse in een NRC-column ooit ‘dwangclichés’ heeft genoemd:
Je weet dat het een cliché is, maar toch moet je het zeggen. Voorbeeld: er kan geen schaal asperges op tafel worden gezet of er is iemand die zegt: “Het witte goud”.
Andere voorbeelden: douze points (als het Eurovisie-songfestival ter sprake komt) of altijd lastig (wanneer je het hebt over de eerstvolgende tegenstander van jouw voetbalclub: ‘Herakles uit, altijd lastig’).
Dwangclichés kunnen net zo krachtig zijn als irritant: “Ik hoorde ooit van iemand die het had uitgemaakt met een meisje omdat ze bij het passeren van Gouda had gezegd: ‘Gouda, stad van de kaarsen’. Of misschien zei ze ook wel: ‘Stad van de kazen’. Dat kon hij niet verstaan. Maar het was in beide gevallen onacceptabel. Terwijl het voor haar waarschijnlijk gewoon een dwangcliché was.”
Wat is een hekel?
Hoewel onze hersenen dus dol zijn op die vaste verbindingen, maken ze het ontleden van zinnen niet gemakkelijk. Want wat voor grammaticale functie heeft een hekel in ergens een hekel aan hebben? Een echt lijdend voorwerp is het niet, maar wat dan wel? Het lijkt soms wel alsof de schoolgrammatica’s niet goed passen bij hoe het Nederlands echt in elkaar zit. Zolang het gaat om kunstmatige zinnetjes zoals Jan eet een peer of Moeder slaapt, lukt het nog min of meer, maar bij een doodnormale échte zin als Lies is in slaap gevallen spat de grammatica al stuk. Wat is in slaap voor zinsdeel? Of wat is het werkwoord in in slaap vallen? Is dat vallen of de hele groep in slaap vallen?
Maar hoe komt dat nu? Waarom is die schoolgrammatica een te krappe broek voor de taalfeiten? Ruim tien jaar geleden heeft taalkundige Joop van der Horst een verklaring gegeven voor dat raadsel, in zijn boek Taal op drift (2013). Volgens hem is de schoolgrammatica zo ongeveer een kopie van de Latijnse grammatica, en daar werkte die prima, omdat het Latijn weinig vaste verbindingen kende. Je kwam daar weliswaar ook weleens een vaste verbinding tegen (alicui gratias agere voor ‘iemand bedanken’ of animum despondere voor ‘de moed verliezen’), maar ze lijken veel beperkter in aantal. De Nederlandse grammatica probeert die evolutie van de Nederlandse taal bij te benen met al die vaste verbindingen die er almaar bij komen, maar hinkt achterop.
Echo’s
Dat de oude bronnen weinig vaste verbindingen laten zien, wil niet zeggen dat er in die tijd nooit brokjes tekst werden hergebruikt. Maar het gebeurde toen vooral om stilistische redenen en in de poëzie. Eigenlijk zijn het een soort echo’s van andere teksten – een soort verwijzing. Neem nu de dertiende-eeuwse ridderroman Moriaen. Daarin staat:
Doe stont Arthur ende loech.
(‘Toen stond Arthur te lachen’)
In Karel ende Elegast lezen we:
Doe stont Elegast ende loech.
Moriaen, ander vers:
Ende quamen te samen met selken nide, dat harde beide speren braken: men mochse verre horen craken.
(‘En ze troffen elkaar met zo’n nijd, dat beide speren versplinterden: men kon ze ver horen kraken’)
In De ridderen metter mouwen zien we dat bijna woordelijk herhaald:
Si reden te gadere beide nu so sere, dat haer speren braken: men horetse harde verre craken.
In een recent artikel noemt literatuurwetenschapper Mike Kestemont ze ‘zwerfverzen’.
Zulke echo-formules komen ook voor over de grenzen van talen heen. Historisch taalkundige Calvert Watkins Zulke echo-formules komen ook voor over de grenzen van talen heen. Historisch taalkundige Calvert Watkins heeft voorbeelden van hardnekkige formules die parallel voorkomen in het Grieks, het Latijn en het Vedisch Sanskriet, een taal die werd gesproken van het tweede tot het eerste millennium voor het begin van de christelijke jaartelling. Jan Nijen Twilhaar, kenner van het religieuze epos Heliand, heeft een heel lijstje met bijna woordelijke parallellen uit het oudere Germaans.

Oude bekenden
Waarom komen die echo-formules relatief vaak voor in oude poëzie? Samen met allerlei dichtvormen bieden zulke formules houvast voor de barden, die eeuwen terug voor de ontzagwekkende taak stonden duizenden verzen te reciteren uit het blote hoofd. Toch zou het een al te prozaïsche verklaring zijn die parallellen alleen maar af te doen als geheugentechnieken. Het is heel goed denkbaar dat sommige wendingen de schrijvers en vertellers in het hoofd spoken, en dat die af en toe dagzomen bij het schrijven of vertellen. Zoals je soms ook, heel onverwacht, oude bekenden in je dromen ziet opduiken.
Die echo’s zijn trouwens niet beperkt tot de Oudheid of de Middeleeuwen. Je kunt ze ook recenter vinden. Karel van het Reve heeft een essay geschreven waarin hij een passage uit de roman Lijmen van Willem Elsschot voor het voetlicht brengt. Daarin belt de zakenman Karel Boorman de firma Korthals en Zonen op in Gent:
Hij zocht even in het telefoonboek, kwam naast mij zitten, belde de Centrale op en sloot de ogen. “Brussel,” zei een neusstem. “Gent!” riep Boorman, naar het toestel snappend als een hond naar een been. Er volgde een gegorgel, dan een bruisen als van de zee en daarop een hels gestamp en geratel.
Wie een beetje thuis is in de Nederlandse poëzieklassiekers herkent hier, net als Karel van het Reve, een beroemd vers uit het gedicht ‘Aan Rika’, van Piet Paaltjens:
Gij vreesdet mooglijk voor een spoorwegramp?
Maar, Rika, wat kon zaalger voor mij zijn,
Dan, onder hels geratel en gestap,
Met u verplet te worden door één trein?
Iedereen die graag leest, maakt dit weleens mee: passage X doet denken aan passage Y. Wie weleens een ‘catchphrase’ uit een tv-serie of een songtekst citeert (zoals ‘Huup, huup, barbatruc!’ en ‘Mag ik dan bij jou?’), zet die traditie van zwerfverzen voort. De grens met plagiaat is smal. Maar dat geldt eigenlijk voor de hele taal. Wat is taal anders dan een voortdurende echo van wat we, generatie na generatie, tegen elkaar vertellen? <<
