
Hoe het Frans uit de Lage Landen verdwijnt
Lange tijd werd het Frans gezien als de taal van de hoge cultuur, een taal met statuur. Maar de wereld verandert, en het Frans lijkt achterop te raken.
Toen de Belgische minister-president Bart De Wever vorig jaar een Franstalig publiek in Brussel toesprak, begon hij met een bekentenis. De Vlaams-nationalist verontschuldigde zich voor zijn Frans en sprak zijn spijt uit dat hij niet tweetalig was zoals zijn vader, of in het Frans kon denken zoals zijn grootmoeder. “Het is echt jammer”, zei hij. In het Frans.
De Wevers toespraak markeert het einde van een tijdperk waarin het Frans de onbetwiste tweede taal van de elite en de burgerij was. In Vlaanderen was dat nog het geval voor de generatie van De Wevers vader, maar tot diep in de twintigste eeuw was het Frans ook de belangrijkste taal voor Nederlanders met culturele interesse: de taal waarmee je voor de dag kon komen, de taal van Sartre, Aznavour en Godard. Vandaag de dag moet het Frans als cultuurtaal vechten tegen de dominantie van het Engels, in een maatschappij waar in het algemeen toch al minder aandacht is voor andere talen dan het Engels. De Wever was in zekere zin een uitzondering omdat hij nog voor een zaal van duizend Franstaligen Frans durfde te spreken.
Meer dan ‘bonjour’
Hoe is het gesteld met het Frans onder de sprekers van het Nederlands? Je kunt niet de hele bevolking een taaltoets laten afleggen, en je moet het daarom doen met wat mensen zelf vertellen over hun talenkennis. Bij het laatste Eurobarometer-onderzoek van de Europese Unie over taal (gepubliceerd in 2024) gaf 27% van de Nederlandse burgers aan Frans te spreken (tegenover 93% Engels en 61% Duits). In Vlaanderen lag dat percentage voor het Frans op 46% (Engels en Duits: 58% en 17%).
Dat lijkt op het eerste gezicht een hoog percentage, maar we weten niet of deze mensen heel veel meer kunnen zeggen dan ‘bonjour’, en ook niet wat bijvoorbeeld de leeftijdsopbouw was. Het is niet onwaarschijnlijk dat de taalvaardigheid bij oudere generaties heel anders is dan bij jongeren. In Vlaanderen is er bovendien vrijwel zeker sprake van regionale variatie. In de sterk verfranste Vlaamse Rand rond Brussel geeft nog 78% van de jongeren aan goed Frans te spreken (op basis van regionale enquêtegegevens), maar in Antwerpen, waar veel minder Franstaligen wonen, ligt dat waarschijnlijk aanzienlijk lager, ruwweg op het Nederlandse niveau.
Duits en Spaans
Een andere maat is hoeveel mensen Frans op school leren. Het schoolvak is in ieder geval in beide landen niet populair, en wordt vaak als niet nuttig ervaren (‘Wij gaan nooit naar Frankrijk op vakantie’). In Vlaanderen is het vak verplicht, en dus volgt vrijwel iedereen het tot aan het eind van het middelbaar onderwijs. Dat leidt niet altijd tot groot succes: uit peilingen bleek bijvoorbeeld dat slechts een op de tien leerlingen in het Vlaamse onderwijs in de eerste graad het verwachte niveau voor luistervaardigheid behaalde.
In Nederland is het vak alleen in de onderbouw verplicht, dat wil zeggen tot en met het tweede of derde leerjaar van het middelbaar onderwijs. Veel leerlingen laten het vak daarna vallen. Volgens het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) kiest op het vwo nog 37% van de bovenbouwleerlingen voor Frans; op het havo is dat 18% en op het vmbo een schamele 10%. Vooral op het vmbo lijkt het laatste uur voor het Frans geslagen: steeds meer scholen bieden de taal helemaal niet meer aan en kiezen voor Duits of Spaans.
Weinig hoop
Ook in het hoger onderwijs verliezen de opleidingen Frans aan populariteit. Rond 1990 waren er nog zo’n duizend Nederlandse studenten Frans, momenteel zijn het er minder dan tweehonderd. In Vlaanderen is het iets lastiger te tellen, omdat studenten daar meerdere talen combineren tijdens een studie, maar het totaal aantal talenstudenten is in de afgelopen vijftien jaar naar schatting tot de helft gereduceerd.
Dat biedt weinig hoop voor de toekomst van het onderwijs van het Frans in het algemeen. Als er geen mensen zijn die Frans studeren, zijn er natuurlijk ook steeds minder bekwame mensen die het vak kunnen doceren, waardoor de kwaliteit van het onderwijs afneemt. De teruggang van het aantal studenten Frans belooft dus weinig goeds voor de dalende trend op school.
Plankje
De afkalving van de interesse is ook zichtbaar in andere domeinen. Boekhandels brachten de kasten vol met Franstalige boeken eerst terug tot plankjes. Gaandeweg werd dat steeds meer één plankje Franse boeken, waarop de laatste jaren ook veel meer ‘andere talen’ staan: ‘anders dan Engels’. Ook bibliotheken lenen in Nederland en in Vlaanderen nauwelijks nog Franstalige boeken uit – het Nederlands en het Engels domineren.
Ook het aandeel Franse boeken dat naar het Nederlands vertaald wordt, slinkt dramatisch, constateerde de Nederlandse Marjolijn Voogel al in 2018 in haar proefschrift over de afname van de populariteit van het schoolvak Frans in Nederland. Een paar jaar later, in 2020, maakte de Koninklijke Bibliotheek bekend dat nog maar ongeveer 5% van de in het Nederlands vertaalde boeken uit het Frans komt, tegenover 65% uit het Engels. In Vlaanderen zijn de cijfers vergelijkbaar. Mensen lezen dus kennelijk niet alleen liever Engels dan Frans, ze lezen zelfs liever boeken die vertaald zijn úít het Engels.
Françaises
Alleen een francofiele kern houdt vol. In Nederland heeft de Alliance Française ongeveer 10.000 leden – allemaal mensen die graag meer willen leren over Frankrijk, de Franse taal en de Franse cultuur. Maar dat aantal neemt wel af, onder meer door de vergrijzing. Voor de Alliance Française en soortgelijke organisaties in Vlaanderen zijn geen cijfers bekend, maar het ligt voor de hand dat die vergelijkbaar zijn.
Bij dat alles is communicatie met de grote, internationale Franstalige wereld nog altijd belangrijk. Het Frans wordt ook nog altijd buiten Europa gesproken, in Canada bijvoorbeeld, en in voormalige Franse en Belgische kolonies als Senegal, Algerije en de Democratische Republiek Congo. Bovendien spelen sinds de Middeleeuwen literatuur, politiek en filosofie uit Frankrijk een belangrijke rol in heel Europa, inclusief ons taalgebied. Als we onze geschiedenis willen begrijpen, komen we niet onder het Frans uit. De politieke ontwikkelingen in de Verenigde Staten van de afgelopen jaren laten ook zien dat het misschien helemaal niet zo verstandig is om ons alleen op de Engelstalige wereld te richten.
In zijn toespraak illustreerde Bart De Wever de neergang met een anekdote over zijn zoon. Die had zulke slechte punten voor Frans dat De Wever hem een paar weken naar Frankrijk stuurde. “Hoe was het?”, vroeg hij toen de jongen terug was. “Papa,” zei de jongen, “in Frankrijk spreekt iedereen Engels.” De zaal lachte.
“Hij had Françaises leren kennen”, zei De Wever. “Maar geen Frans.” <<
Met dank aan Eline Zenner.
