Wie in Nederland komt wonen, moet van alles leren: over het land, de gebruiken en vooral: de taal. Op 1 januari 2022 werd een nieuwe inburgeringswet van kracht die dat mogelijk moet maken. Hoe functioneert die wet?

Om daarachter te komen, volgden we ruim een jaar het pad van Samer Daboul, een 28-jarige fotojournalist die moest vluchten uit Syrië.

In dit extra dikke nummer van Onze Taal nemen we uitgebreid de ruimte voor zijn verhaal: waar krijgt hij mee te maken? En met wie? Wat gaat er goed? Wat zit tegen? Hoe zit dat bij anderen? En kan het beter met die wet?

Dagboek Samer
winter 2023 – de periode voor de inburgering: in een opvanglocatie 

In het opvangkamp waar ik woon, maakt het lawaai van anderen het onmogelijk om me te concentreren, dus vlucht ik regelmatig naar de waterkant. Daar zit ik dan, video’s te kijken van een YouTube-kanaal voor Engelstaligen die Nederlands willen leren. Ik wil wel zoeken naar een rustigere plek waar ik kan studeren, maar het kamp dooft alle passie die in mijn hart opkomt. 

Ik heb een simpele introductie in het Nederlands samengesteld: “Ik ben Samer, 27 jaar oud, en ik werk als journalist. Ik kom uit Syrië en ben sinds kort in Nederland. Mijn Nederlands is niet goed, maar ik spreek Engels.” Ik heb het opgeschreven in mijn notitieboekje, en herhaald tot ik het uit mijn hoofd kende.  

Vandaag kwam ik een vrouw tegen die haar hond uitliet langs de rivier. Toen ze me iets vroeg, kon ik mezelf voorstellen in het Nederlands, waarna we in het Engels verder praatten. Dat werkte, maar het was ook onbevredigend.  

De eerste keer dat ik Samer zie, is op een computerscherm. Het is juni 2024, een half jaar nadat hij zijn dagboek is begonnen in de opvanglocatie. Al maanden ben ik op zoek naar iemand die binnenkort begint met inbur­geren, me daarover wil vertellen, en die journalistieke ervaring heeft en dus ook kan meeschrijven. Ik wil namelijk niet alleen óver inburgeraars schrijven, maar het proces van binnenuit laten zien. Het is een lastige combinatie, want een startende inburgeraar heeft wel wat anders aan z’n hoofd, maar het lijkt gelukt – opgetogen en nog wat ongelovig zit ik aan mijn bureau. Al in de eerste minuten van ons Zoom-gesprek blijkt dat Samer minstens zo enthousiast is over onze samenwerking als ik. Hij struikelt over zijn woorden als hij in het Engels vertelt hoe graag hij iets wil bereiken in Nederland. Hij is hier al een jaar en wil zo snel mogelijk Nederlands leren, zodat hij zijn nieuwe landgenoten kan uitleggen wat er gaande is in Syrië.  

Behalve enthousiasme zie ik ook vermoeidheid in Samers blik. Al gauw blijkt hoe dat komt. Na zijn aankomst in Nederland, in de zomer van 2023, heeft hij in Amsterdam, Breda, Enkhuizen en Nijmegen verbleven. Drie maanden geleden kreeg hij een verblijfsvergunning, en vlak daarna woonruimte, in Doetinchem. Dat betekent dat hij nu officieel gaat beginnen met inburgeren. Het is een tijd met een hoop geregel en beslissingen over de toekomst. En dat terwijl hij voortdurend denkt aan zijn familie, en aan alles wat hij de laatste jaren heeft meegemaakt.  

Een paar weken later vertelt hij daar meer over, als we elkaar achter een kop koffie (Samer) en muntthee (ik) in het echt ontmoeten. We zitten in zijn favoriete Arnhemse café, een mooie plek waar de muren vol boeken staan. Samer laat me door hem gemaakte foto’s zien van het gebied in Syrië waar hij vandaan komt, dicht bij de Turkse grens. Hij studeerde daar communicatie en media, en werkte er als cameraman en fotojournalist – dat is te zien aan de prachtige foto’s. Maar zijn werk leidde tot problemen, vertelt Samer. Hij werkte mee aan een onderzoek naar hoe jihadstrijders kinderen ontvoerden, en daarna was Syrië niet meer veilig voor hem. In 2019 vluchtte hij naar Turkije, 23 jaar oud, zonder zijn zus, vier broers en ouders, en ging daar weer aan de slag als journalist. 

Nu blijkt waarom Samer zo goed Engels spreekt. Arabisch is zijn moedertaal en zijn Engelse les in Syrië had weinig opgeleverd. Maar in Turkije moest hij wel en toen ging het vlot: hij heeft het zichzelf in een paar maanden geleerd. Daar in het Arnhemse café spreken we af dat hij zijn ervaringen met inburgeren in het Engels zal beschrijven en dat ik die vertaal, omdat hij – zeker in het begin – in die taal het best kan reflecteren op zijn leerproces. Samers missie is om zijn foto’s, van Syrië en van alles wat daarna kwam, te bundelen in een boek. Wat al door mijn laptopscherm heen voelbaar was, ervaar ik nu pas echt: Samer heeft een enorme drive om de wereld te vertellen wat hij heeft meegemaakt. 

Bij een tweede koffie vertelt hij verder. Over hoe vijandig mensen in Turkije waren tegen Syrische vluchtelingen. En over de alles ontwrichtende aardbeving in februari 2023. Dat was de druppel – hij kon daar niet blijven. Samer kende iemand in Nederland, en hij had vanuit Turkije weleens meegewerkt aan een rapport voor het ministerie van Buitenlandse Zaken. Het leek hem een menselijk land, op een handige plek zo tussen België, Duitsland en de Scandinavische landen. Een paar maanden later arriveerde hij in Amsterdam – details over zijn reis deelt hij liever niet. 

De aankomst in Nederland betekende voor Samer het einde van een reis, maar ook een begin: van een nieuwe periode van onzekerheid, die uiteindelijk hopelijk leidt naar een leven als Nederlander. Een cruciaal onderdeel van dat nieuwe leven is natuurlijk de taal. Als taalwetenschapster en voormalig NT2-docente (ik heb een tijdje Nederlands gegeven aan internationale studenten) heb ik er vaak over nagedacht: hoe leert iemand als Samer nou snel en goed Nederlands? Ik ken de theorieën, het wetenschappelijk onderzoek, de onderwijsmodellen. Maar hoe is het om het te dóén, en hoe help je iemand daarbij?  

Foto: Mona van den Berg

En dan is er die Wet inburgering 2021, die in 2022 is ingegaan. Omdat ik nieuwsgierig werd naar de invloed van zo’n wet op het leren van de taal, heb ik me door talloze beleidsteksten heen geworsteld. De regels en procedures ken ik nou wel, maar het blijft een papieren werkelijkheid. Hoe voelt het om dat hele traject te doorlopen? Daar weet ik met al mijn boekenkennis nog niks van, en met dat besef begon de zoektocht naar een ervaringsdeskundige. Vanaf die middag in het café leer ik het systeem van binnenuit kennen – met dank aan Samers openhartigheid, onze talloze appjes, mailtjes, een gedeeld Word-bestand met dagboekfragmenten, en nog vele kopjes koffie en glazen muntthee.

Dagboek Samer
januari 2024 – de eerste lessen Nederlands, nog voor de inburgering 

Het is vijf jaar geleden dat ik voor het laatst naar school ging, en ik vroeg me af hoe het leren me zou vergaan na alle traumatische gebeurtenissen die ik heb meegemaakt. Ik was zo lang alleen gefocust op overleven, niet op leren. 

Ik ging optimistisch naar school, maar toen de les begon, bleek dat de docent alleen Nederlands sprak. De druk die ik voelde, was onbeschrijfelijk: iedereen begreep het, behalve ik. En telkens als ik om verduidelijking vroeg, herhaalde de docent de vraag alleen maar in het Nederlands. Ik begreep er niks van, en hoe hard ik ook studeerde, het voelde telkens alsof ik tegen een muur op liep. Alsof ik verdronk in een zee van taal. Leren zonder te begrijpen is als zwemmen zonder adem te halen. 

Bij onze ontmoeting in de zomer van 2024 is Samer dus al een jaar in Nederland. Hij doet vrijwilligerswerk: hij beheert onder meer socialemediakanalen van enkele internationale organisaties. Maar de officiële Nederlandse taallessen zijn nog niet begonnen. En dat terwijl Samer niets liever wil dan Nederlands leren, om betaald werk te vinden in de Nederlandse mediawereld. Zolang een asielzoeker wacht op de beslissing over de verblijfs­vergunning (gemiddeld duurt dat twee jaar), wordt er door de overheid nog niks geregeld. Als iemand uiteindelijk niet mag blijven, is dat een verspilling van tijd en geld, is het idee. Maar azc’s en gemeentes bieden soms wel taalles aan. Zo ook in Nijmegen, waar Samer zijn opvangperiode doorbracht in een voormalig scoutingkamp. In de buurt was een school waar hij alvast gratis wat taallessen kon volgen. Hoewel het een ontmoedigende ervaring was – zoals blijkt uit zijn dagboek – was het voor Samer fijn dat hij vast íéts aan zijn Nederlands kon doen. 

Dat geldt niet voor alle asielzoekers: de verschillen tussen opvanglocaties zijn groot. “De opvangperiode duurt vaak lang, het wordt voor sommigen een eindeloos limbo”, vertelt Roxy Damen. Zij onderzoekt aan de Erasmus Universiteit Rotterdam het vluchtelingen- en integratiebeleid in Nederland. “Mensen kunnen al die tijd vaak weinig doen, en als ze dan eenmaal gehuisvest zijn, moet opeens alles tegelijk gebeuren: verhuizen, de taal leren, contacten leggen, eventueel werk zoeken. We weten uit onderzoek dat mensen zich beter voelen als ze op dat moment al een beetje hebben kennisgemaakt met de taal, of bijvoorbeeld vrijwilligerswerk hebben gedaan. Dan gaat het Nederlands leren daarna beter en vinden ze sneller een baan. Dus ook voor de lange termijn is het effectiever als mensen al in die eerste periode echt iets kunnen doen.”  

Dagboek Samer
juli 2024 – een status, een huis, de eerste gesprekken over inburgering 

Ik ben verhuisd naar Doetinchem, waar ik niemand ken. Ik word overdonderd door alle procedures, interviews, afspraken en beslissingen over mijn toekomst – ik ben nog uitgeput van de verhuizing en nog niet geland in mijn nieuwe huis.  

Ik had geen idee wat ik moest verwachten toen ik naar mijn eerste afspraak met Irna (gemeenteambtenaar) en Fuad (vertaler) ging. Maar ik kreeg duidelijke informatie en een gedetailleerde uitleg van alle procedures. Ze waren geduldig, en ze luisterden naar wat ik vertelde over mezelf, mijn studie en mijn plannen hier in Nederland – heel anders dan ik had verwacht na de verhalen over strengheid en dwang die ik had gehoord van anderen in de noodopvang.  

Ik bleek al A1-niveau te hebben: daar ben ik wel trots op, na vier maanden ploeteren. Toch moet ik het nog sneller en beter kunnen, zodat ik snel een baan kan vinden.  

In het Arnhemse café waar we hebben afgesproken laat Samer foto’s zien van het opvangkamp in Nijmegen. Ik zie een kamer vol matrassen op de grond, en een andere ruimte met stapelbedden pal naast elkaar. “Er was geen privacy. Iedereen was voortdurend met familie aan het bellen, stil was het nergens, dus studeren lukte niet”, vertelt Samer. Ik snap de vermoeidheid die ik bij ons eerste gesprek zag steeds beter, en kan me voorstellen hoe opgelucht hij moet zijn geweest toen hij in maart 2024 een verblijfsvergunning kreeg en, twintig dagen later, een sociale huurwoning: een tweekamerappartement. 

Vanaf dat moment begint ook de begeleiding bij het inburgeren. In juni heeft Samer zijn eerste afspraak met Irna Wiegers van Laborijn, de uitvoeringsorganisatie die voor de gemeente Doetinchem inburgeraars begeleidt. Dat de regie bij de gemeente ligt, is iets nieuws van de wet van 2022. Voor die tijd waren inburgeraars zélf verantwoordelijk voor het kiezen van een taalschool en het halen van het inburgeringsexamen. Ze kregen een lening om het onderwijs te bekostigen, maar als ze het examen niet binnen drie jaar haalden, moesten ze die terugbetalen. Prompt doken allerlei commerciële taalscholen op, die mooie cadeaus en onhaalbare leertrajecten aanboden aan deze “gevluchte goudmijntjes”, zoals cabaretier Arjen Lubach dat in 2017 in een kritische sketch zei. Je kon het zien aankomen: veel inburgeraars eindigden mét een schuld maar zónder taalvaardigheid. Ik ben blij voor Samer dat hij onder de nieuwe wet valt. 

Waarom Samer móét inburgeren 

Samer is volgens de wet verplicht om in te burgeren, om de volgende redenen: 

  • Hij was bij aankomst 26 jaar. Wie jonger is dan 18, of juist van pensioengerechtigde leeftijd, hoeft niet in te burgeren.  
  • Hij komt uit Syrië, en niet uit een EU-land, Zwitserland, Liechtenstein, Noorwegen of IJsland. Nieuwkomers uit die landen zijn niet inburgeringsplichtig.  
  • Hij had geen Nederlands diploma, en heeft ook geen Nederlandstalige opleiding afgerond. Wie dat wel heeft, hoeft niet in te burgeren.  
  • Hij heeft een permanente verblijfsvergunning. Wie tijdelijk in Nederland verblijft, bijvoorbeeld om een studie te doen of een paar jaar te werken, hoeft niet in te burgeren. 

In 2024, het jaar waarin Samers traject begon, waren er nog 36.194 andere mensen inburgeringsplichtig. 

Dat eerste gesprek tussen Irna en Samer gaat over meer dan taal alleen. Ze geeft Samer niet alleen de praktische informatie waar hij zoveel behoefte aan heeft, maar vraagt hem ook het hemd van het lijf: wat hij van Doetinchem vindt, hoe hij zijn woning heeft ingericht, of hij zijn buren kent, of hij naar school is geweest, wat voor werk hij heeft gedaan, wat hij in Nederland wil bereiken. Het gesprek kan nog niet in het Nederlands, dus is Fuad aanwezig, die als ‘cultuurvertaler’ niet alleen de Syrische taal maar ook de cultuur goed kent. Irna is blij dat zo iemand bij alle intakegesprekken zit: “Ik wil bijvoorbeeld weten: waar ben je goed in? Maar in sommige culturen is het helemaal niet normaal om dat over jezelf te zeggen. Dan heeft het geen nut om dat zo direct te vragen. Dat had ik niet geweten als er geen cultuurvertaler naast me zat.” 

Na de intake doet Samer een zogeheten leerbaarheidstoets, waarin getest wordt wat hij kan. Elke vraag bestaat uit een plaatje met een opdracht. Hij ziet op zijn scherm bijvoorbeeld een tekening van een ananas, en moet vervolgens in een verzameling tekeningen van fruit de ananas aanklikken. De opdrachten vereisen geen culturele of talige kennis, zodat het toetsresultaat alleen iets zegt over Samers algemene competenties. Irna laat ook nog aanvullend onderzoek doen, onder andere naar Samers taalniveau. Niet alle gemeenten doen dat – ze mogen de begeleiding zelf vormgeven, dus er zijn grote verschillen. Ook in Doetinchem is de taaltoets niet standaard; maar Irna kon Samers niveau net niet helemaal inschatten. Wat wel overal hetzelfde is, is dat de casemanager op basis van het eerste gesprek en de leerbaarheidstoets een plan van aanpak maakt: het Plan Inburgering en Participatie.  

Foto: Samer Daboul

Irna’s plan voor Samer is dat hij aan de Hogeschool van Arnhem en Nijmegen de zogeheten onderwijsroute gaat volgen. Dat is een pakket van taal- en ander onderwijs dat nieuwkomers in hoog tempo klaarstoomt voor vervolgonderwijs. Laat dat nou precies Samers ambitie zijn: hoewel hij al vrijwilligerswerk doet als fotojournalist, wil hij een Nederlands diploma halen, zodat hij makkelijker betaald werk kan vinden. Irna denkt dat de hbo-opleiding Communicatie en Multimediadesign bij Samer past. Daar heeft hij B2-niveau voor nodig: iemand op dat niveau kan zich duidelijk uitdrukken met gevarieerde taal en soms complexe zinnen, zonder veel naar woorden te zoeken (voor alle inburgeringsroutes en niveaus, zie het kader hieronder).

Ze schrijft hem in voor een taalcursus waarbij hij drie dagen per week les krijgt, en later zelfs vijf dagen, zodat hij dat niveau binnen twee jaar kan bereiken.  

De dag nadat Irna haar plan aan Samer heeft gepresenteerd, begint de termijn te lopen: binnen drie jaar moet Samer het inburgeringsexamen gehaald hebben. Hij heeft dus wat ruimte voor uitloop. Tijdens het hele traject zullen Irna en Samer elk half jaar een voortgangsgesprek hebben. Als het niet zo lekker loopt, of als het juist vlotter gaat dan gedacht, kunnen ze het eindniveau nog bijschalen.  

De drie routes van inburgering 

Samer Daboul volgt de zogeheten ‘onderwijswijsroute’. Wat is dat voor een route? En welke routes zijn er nog meer? 

De onderwijsroute 
Bedoeld voor mensen die een beroep willen leren, of een Nederlands diploma willen behalen. In 2024 volgde 17% van alle inburgeraars deze route.  

Nederlands op B1- of B2-niveau (afhankelijk van de vervolgopleiding). Naast Nederlands worden ook vakken als wiskunde, scheikunde en Engels aan­geboden, die nodig zijn voor vervolgopleidingen. 

Ahmed wil liever niet herkenbaar in beeld.

Ahmed (19) komt uit Jemen, en woont in Purmerend met zijn ouders, broertje en zusje. Hij volgt de onderwijs­route: binnen anderhalf jaar moet hij Nederlands leren, zodat hij kan beginnen aan de bachelor Computer Science. Ahmed spreekt al Engels: hij heeft op een internationale school gezeten, waar hij ook nog Frans heeft geleerd. Nederlands vindt hij niet zo moeilijk; vooral de uitspraak valt wel mee, vergeleken met Frans. Alleen het Amsterdamse accent van zijn wiskundedocent vindt hij lastig.

De B1-route  
Bedoeld voor mensen die meteen aan het werk willen en kunnen. De studenten krijgen drie dagdelen per week taalles, zodat ze daarnaast kunnen werken. In 2024 volgde 55% van alle inburgeraars deze route. 

Nederlands op B1-niveau, zoals de naam al zegt, al is het flexibel: je kunt een deel van je examens (bijvoorbeeld schrijven of luisteren) op A2- of juist B2-niveau halen. 

Mohamed (24) was in Syrië kleermaker, en wilde eigenlijk gaan studeren, maar het asiel- en inburgerproces duurt al zo lang dat hij dat heeft opgegeven. Nu wil hij barista worden en iets belangrijks bereiken in de toekomst. 

Hij volgt les in Amsterdam-Noord en vindt Nederlands niet zo’n moeilijke taal, alleen het schrijven is lastig. Wat hij wel zwaar vindt: het leren, terwijl je intussen je familie in je thuisland mist. Hij maakt zich grote zorgen over de situatie in zijn herkomstland en die in de wereld. 

De zelfredzaamheidsroute (oftewel de Z-route)
Bedoeld voor mensen voor wie het niet haalbaar is om taalniveau A1 of hoger te halen, bijvoorbeeld mensen die nooit hebben leren lezen en schrijven. In 2024 volgde 29% van alle inburgeraars deze route. 

Nederlands wordt niet getest met een examen, maar draait om meedoen. Cursisten volgen 800 uur taalles en moeten 800 uur besteden aan ‘participatie’, bijvoorbeeld door cursussen te volgen of vrijwilligerswerk te doen. 

Yasin (61) is Palestijns, maar groeide op in Libanon. Hij woonde 32 jaar in Syrië, en inmiddels vier jaar in Amsterdam, met zijn vrouw en drie van hun vijf kinderen. Twee keer per week doet hij mee aan een taalcafé in BOOST, een ontmoetingsplek waar nieuw­komers en andere Amsterdammers samen aan integratie werken. Yasin doet er ook vrijwilligerswerk: elke maandag staat hij in de keuken om lunch te maken voor alle bezoekers. “Nederlands leren is een beetje leuk”, vertelt hij. “Maar ik heb een vol hoofd. Het was niet goed in Syrië. Maar de gemeente helpt goed!” 

Zes taalniveaus 

Samer heeft zichzelf Nederlands geleerd op A1-niveau. Zijn eerste doel was: Nederlands leren op B2-niveau, wat hij later heeft bijgesteld naar B1. Al die aanduidingen komen uit het zogeheten Europees Referentie­kader, dat is ontwikkeld om meetbaar te maken hoe goed iemand kan lezen, luisteren, spreken en schrijven. Hieronder staan steeds vergelijkbare zinnetjes om een idee te geven wat voor zinnen inburgeraars per niveau kunnen lezen. 

C2 
Samer, een uit Syrië afkomstige fotojournalist, beoogt bij het Nederlandse publiek niet alleen bewustwording te creëren van de gelaagde en vaak onderbelichte politieke en maatschappelijke realiteiten in zijn land van herkomst, maar tevens inzicht te verschaffen in de veelomvattende persoonlijke, culturele en existentiële implicaties van zijn migratieproces naar Nederland. 

 C1 
Samer, een fotojournalist afkomstig uit Syrië, streeft ernaar het Nederlandse publiek een dieper inzicht te geven in de complexe realiteit van zijn land van herkomst en in de persoonlijke ervaringen en uitdagingen die zijn migratie naar Nederland hebben gevormd. 

B2 
Samer is een fotojournalist uit Syrië. Hij vindt het van groot belang dat Nederlanders een beter beeld krijgen van de situatie in zijn land van herkomst en van de uitdagingen en ervaringen die hij heeft meegemaakt tijdens zijn migratie naar Nederland. 

B1 
Samer is een fotojournalist uit Syrië. Hij wil graag dat Nederlanders beter begrijpen wat er in zijn land gebeurt en hoe zijn reis en ervaringen waren toen hij naar Nederland verhuisde. 

A2 
Samer is een fotojournalist uit Syrië. Hij vindt het belangrijk dat mensen in Nederland meer leren over zijn land en over hoe hij naar Nederland is gekomen. 

A1 
Samer komt uit Syrië. Hij maakt foto’s voor zijn werk. Hij wil dat mensen in Nederland meer weten over zijn land. En over hoe hij naar Nederland is gekomen. 

Samer praat vol waardering over Irna, en ook van andere inburgeraars hoor ik hoe dankbaar ze zijn voor de begeleiding. Logisch ook wel – ze krijgen hulp en onderwijs, en dat wordt allemaal vergoed door de overheid. Nieuwkomers die niet onder de wet vallen, zoals Oekraïense vluchtelingen of expats uit de EU, moeten hun taallessen zelf regelen en betalen (zie het kader over de inburgeringsplicht hierboven). Inburgering is dus een groot cadeau. En toch voelt al die dankbaarheid soms wat plichtmatig. Ik vraag me weleens af: hoor ik het eerlijke verhaal? Of delen inburgeraars hun negatieve ervaringen liever niet, uit angst ondankbaar over te komen? Al gauw blijkt dat Samer ook kritisch durft te zijn. 

Dagboek Samer
augustus 2024 – weer wachten 

Vorige maand had ik het eerste gesprek bij de hogeschool waar ik mijn officiële taallessen ga volgen. Ze vertelden dat ik pas in januari kan beginnen. Dat kan ik maar lastig accepteren. 

Gelukkig heb ik Leen ontmoet, die me graag wil helpen bij het leren van de taal. Hij is fantastisch! Al bij onze eerste afspraak legde hij de betekenis van allerlei woorden uit, en we probeerden simpele gesprekjes te voeren. Maar het was toch ook moeilijker dan ik had verwacht: ik was overweldigd door de enorme hoeveelheid nieuwe informatie. Ik probeerde alles te onthouden, goed te luisteren en te herhalen, maar vergat vrijwel alles weer. Toch geef ik niet op.  

In augustus krijg ik een teleurgestelde mail van Samer. Hij kan niet na de zomervakantie beginnen met de taalcursus, omdat er in de beginnersgroep geen plek is. De frustratie druipt van zijn mailtje – hij wacht al zo lang, en nu kan hij pas in oktober met een voorbereidende cursus beginnen, en nog eens drie maanden erna pas met de échte taallessen. Zijn situatie is helaas niet uitzonderlijk: taalscholen kampen met wachtlijsten, doordat ze te weinig docenten hebben. Zomaar meer mensen voor de klas zetten kan niet, omdat gemeenten alleen in zee mogen met scholen die met gecertificeerde taaldocenten werken. Er zijn verschillende manieren om zo’n certificaat te halen, maar er bestaat geen opleiding ‘docent Nederlands als tweede taal’ (NT2) waarvoor je je na de middelbare school kunt inschrijven. En omdat NT2-docenten niet per definitie onder de onderwijs-cao vallen, verdienen ze vaak minder dan andere leraren. Het maakt het vak, en het pad ernaartoe, wat onzekerder dan dat van een ‘gewone’ leraar Nederlands. 60% van de taalscholen heeft vacatures openstaan, en verbetering is niet in zicht. En daardoor moet Samer nu wéér wachten.  

Maar Samer is er de persoon niet naar om dan maar thuis te gaan zitten niksen, dat heb ik inmiddels wel door. En hij moet ook wel aan de slag – de klok van de inburgerings­termijn tikt door. Irna helpt hem bij het zoeken naar een taalmaatje, en gelukkig lukt dat snel. Doetinchemmer Leen van der Heiden heeft zich kort daarvoor bij Vluchtelingenwerk gemeld om vrijwilligerswerk te doen. “Ik werd gekoppeld aan Samer om zijn Nederlands te oefenen”, vertelt hij. “Elke week spraken we af en gingen we gewoon gesprekken voeren: over zijn dagelijkse bezigheden, zijn fotografie, zijn familie, zijn herkomstland, alles eigenlijk.”  

Ook Leen, die tot zijn pensioen als ontwikkelingspsycholoog werkte, valt de enorme drive van Samer op. “Door zijn wens om zijn foto’s te publiceren was hij zó gemotiveerd om de taal te leren. Allerlei elementaire begrippen die langskwamen, schreef hij op post-its die hij dan thuis op zijn deur hing. Als ik denk aan hoe wij Frans en Duits hebben geleerd – dan leerde je alleen voor het examen, daarna liet je het erbij. Maar Samer weet waar hij het voor doet. Als je taal nodig hebt om iets te bereiken wat je echt graag wilt, dan ga je je daarvoor inzetten.” Leen richt zich in hun gesprekken helemaal op de inhoud. “Informeel oefenen is natuurlijk wel heel iets anders dan werkwoordvormen stampen. Ik had geen behoefte zulke dingen te corrigeren bij Samer. Het ging om het gesprek, het had niks met ‘aap, noot, mies’ te maken.”  

Foto: Samer Daboul

Dagboek Samer
oktober 2024 – instroomklas 

Vandaag was mijn eerste dag op de hogeschool. Ik kon niet slapen van opwinding. Om 6 uur stond ik op en zag ik hoe het langzaam licht werd. Ik had zin in de dag.  

De les was prettig, en de leraar legde alles makkelijk uit. Het was niet zo moeilijk als ik had verwacht, en ik kon goed meekomen. De les was leuk en interactief, en de twee uur vlogen voorbij. 

In oktober mail ik weer met Samer. Hij klinkt gelukkig iets positiever, want hij kan beginnen aan de zogeheten instroomklas. Dat is een cursus waarin hij de Nederlandse cultuur leert kennen en intussen oefent met de taal, als voorbereiding op de taalcursussen. Ik mag mee naar een les. Op een druilerige oktoberochtend wandel ik in een stroom studenten, weggedoken in dikke jassen, van een klein station naar een enorm hogeschoolgebouw. De stroom splitst zich in steeds kleinere groepjes, op weg naar hun colleges. In de hal haalt Samer me op en brengt me naar lokaal D1.08: daar begint straks de instroomklas. De leerlingen zijn stil, dragen dikke truien, eentje houdt zijn jas aan. Het is de tweede les, iedereen heeft een naambordje voor zich staan en de docente, Hanneke IJdema, oefent de namen.  

De studenten spreken Engels of hun moedertaal, maar Hanneke spreekt vooral Nederlands, langzaam en duidelijk, en laat haar leerlingen die taal ook oefenen. Vanaf februari zullen de studenten een echte taalcursus krijgen; nu gaat het vooral om het leggen van een basis. Vandaag is het thema ‘kopen en koken’. In een filmpje beschrijven immigranten hun ervaringen met Nederlands eten: “simpel, smakeloos, alles is praktisch”. De studenten lachen vol herkenning, al vinden ze brood met kaas wel lekker en zijn er ook stroopwafelfans. Als Hanneke over rauwe haring vertelt, kijken ze ongelovig (“no cooking?”), en de uitgedeelde dropjes wekken hier en daar afschuw.  

Dan krijgen de studenten een tekening van een supermarkt. In tweetallen moeten ze de ‘praatplaat’ bespreken en alles opschrijven wat ze zien: groente, bloemen, kind, oma, komkommer, kaas, flessenmachine en een eh … “How do you say carrot?” Hanneke schrijft de woorden op het bord, en visualiseert zo nodig de betekenis – bij winkelwagentje doet ze alsof ze er met eentje rijdt. Soms geeft ze wat gramma­ticatermen: pluralis, verbum – die internationale termen zijn voor anderstaligen herkenbaarder dan de Nederlandse varianten meervoud en werkwoord. 

De les eindigt met een rollenspel. Sommige leerlingen krijgen een rol als slager, groenteboer of supermarktmedewerker. De overige leerlingen zijn klanten, waarbij ze doen alsof ze een product pakken, en vragen wat het kost. “Pinnen of contant?” De sfeer is giechelig, de studenten lachen om hun knullige toneelspel.  

“Ik wil maggi!”  

“Dat is hier.”  

De slager verkoopt een mexicano: “Twintig euro.”  

“Oeh, duur!”  

“Ja, het leven is duur!”  

Dat herkent iedereen. Bij de afsluiting beloven ze allemaal om te gaan oefenen, deze week, in de echte supermarkt. 

Dagboek Samer
december 2024 – de val van het regime-Assad in Syrië 

De grootste verandering in de afgelopen veertien jaar van mijn leven vond plaats: het regime van Assad is gevallen. Ongelofelijke momenten, vol van angst, bezorgdheid en een draaikolk van zorgen, problemen en instabiliteit. Intussen probeer ik de lessen bij te houden, te studeren. Maar eerlijk gezegd vergeet ik alles. Mijn hoofd is afgeleid, gefocust op het nieuws.  

Ik geloof dat het taalonderwijs hier op de hogeschool goed is, maar het is ontworpen voor mensen die een normaal leven leiden, zonder trauma’s. Het systeem begrijpt niet wat het werkelijk betekent om een vluchteling te zijn. 

Als ik op een donkere winterochtend het nieuws over Syrië lees, denk ik meteen aan Samer. Wat maakt zijn familie nu mee, en hoe is het voor hem op zo’n afstand te zijn? Ik stuur een appje en krijg er direct vijf terug. Samer loopt over van emotie – blijdschap, opluchting dat zijn familie oké is, maar ook angst voor het lot van vrienden en een oom die in een beruchte gevangenis zaten. Later is er verdriet als blijkt dat zij niet meer leven. Ik moet denken aan de tijd dat ik zelf nog Nederlands gaf aan internationale studenten op de universiteit. Bij hen was ook weleens iets aan de hand in hun thuisland, of met hun familie. Dan waren ze natuurlijk afgeleid, en dat liet ik dan maar zo.  

Taalmaatje Leen heeft het in die tijd met Samer over de situatie: “Toen in Syrië de revolutie plaatsvond, kreeg ons contact meer diepte. Het hield hem erg bezig natuurlijk. Op tv zag je steden als Idlib en Aleppo, en hij vertelde: daar woonde ik, daar ben ik geweest. Eerst maakten we gewoon een praatje, maar in die periode kregen onze gesprekken een andere vorm en inhoud.”  

Dagboek Samer
februari 2025 – de echte taalcursus begint, eindelijk 

Ik heb steeds meer plezier in de taallessen! Ja, soms is de hoeveelheid informatie overweldigend en voelt het alsof mijn hoofd op knappen staat. Maar die druk is voor mijn eigen bestwil, denk ik. 

Ik heb veel waardering voor mijn docenten Jutta en Carma, die de stof op allerlei manieren uitleggen en ons geduldig helpen. Ik pik nu steeds meer op. Toch vind ik het belangrijk om in die modus van ‘niet weten’ te blijven: dat dwingt me te zoeken, te leren en te groeien. Langzamerhand ben ik gaan inzien dat de Nederlandse taal meer is dan woordenschat en grammatica – het is ook een manier van leven. 

Ik loop weer midden in een stroom studenten van station naar hogeschoolgebouw, maar dit keer is het een stralende lentedag. Vandaag zit ik bij een echte taalles van Samer. Na de instroomklas heeft hij zijn A1-examen gehaald, wat betekent dat hij simpele zinnen kan produceren over mensen en plaatsen. Dat was al gebleken uit de taaltoets van de gemeente, maar nu is het bevestigd op de hogeschool.  

Foto: Mona van den Berg

A1 halen op basis van zelfstudie is niet niks. Voor ongeveer 30% van de inburgeraars is A1-niveau überhaupt niet haalbaar, bijvoorbeeld omdat ze in hun herkomstland nooit hebben leren lezen en schrijven. Zij volgen de Z-route, waarin ze wel taallessen moeten volgen, maar geen verplicht eindniveau hebben (voor de taalniveaus, zie het kader hierboven).

Samers eerste officiële taalcursus zal hem naar A2-niveau brengen. Hij gaat leren de simpele woordcombinaties uit te breiden tot zinnetjes over het dagelijkse leven, zoals ‘Ik sta om half acht op’ en ‘Ik woon in een flat op de vierde verdieping.’ 

Met veertien klasgenoten begint Samer om 9 uur ’s ochtends aan de les. Zijn nieuwe docente Carma Schaafsma heet iedereen persoonlijk welkom. Ze begint met een gesprekje over een uitstapje de dag ervoor. De studenten zijn naar Rozet geweest, een bibliotheek en cultureel centrum in Arnhem. Ze vertellen wat ze gezien hebben: allerlei bedrijven, een NT2-afdeling, een glijbaan waarmee je naar de kelder kunt, en dure koffie: “Cappuc­cino is 2,50!”, vertelt iemand verontwaardigd. 

Tijd om wat grammatica te herhalen, met een spelletje. Op het digibord staat een vraag over de voltooide tijd: “Wat is het perfectum van winnen?” met vier antwoordopties: “Ik heb gewind”, “Ik ben gewind”, “Ik heb gewonnen” en “Ik ben gewend.” Op hun telefoon kunnen de studenten antwoorden. Sommige leerlingen tikken snel en zelfverzekerd op hun schermpje, andere kijken vertwijfeld om zich heen. De tijd is op en het resultaat verschijnt: drie goede antwoorden, drie fout, de andere negen waren te laat. “Dit begint heel erg niet goed!”, zegt Carma quasi-dramatisch, maar de andere vragen gaan beter. Ze houdt de sfeer erin. Bij het perfectum van verzenden: “Wie had ‘Ik ben verzonden’? Dat betekent dat je een pakketje bent! Het moet ‘Ik héb verzonden’ zijn.”  

Na de vrolijke quiz volgt wat taaie theorie. Carma geeft een zin met een citaat: “Mijn man zegt tegen mij: ‘Je kunt geen lampen ophangen.’” Een student moet van het citaat een bijzin maken. Carma doet het eerst voor: “Mijn man zegt tegen mij dat ik geen lampen op kan hangen.” Geduldig legt ze uit dat de werkwoordsvorm moet kloppen met het onderwerp van de bijzin: het moet dus ‘ik kan’ zijn en niet ‘ik kunt’. Nadat iedereen in de klas een zin heeft gedaan (“Ik zeg tegen hem dat hij niet lekker kan koken!”), oefenen ze in drietallen verder.

De grootste struikelblokken 

Wat is het lastigst te leren voor iedereen die, zoals Samer, het Arabisch als moedertaal heeft? 

Klank 
Samer vindt de uitspraak van de ui het allermoeilijkst aan het Nederlands: die klank bestaat niet in het Arabisch. Verder kent het Arabisch geen p, v, uu en ij. Daardoor is het verschil moeilijk te horen tussen pak en bak, tussen vee, fee en wee, tussen buur en boer en tussen hij en haai.  

Klemtoon  
De klemtoon valt in het Arabisch meestal op de laatste of voorlaatste lettergreep van het woord (Al Jazééra). In het Nederlands zijn er zo veel regels voor klemtoonplaatsing (ónderwijs, studéren, psychologíé), dat het handiger is de klemtoon per woord uit het hoofd te leren. 

Lidwoorden 
Een struikelblok voor Samer: het lidwoord een (afwezig in het Arabisch), en hij moet van ieder zelfstandig naamwoord leren of het een de- of een het-woord is. 

Kleine woordjes 
Het Nederlands heeft, in tegenstelling tot het Arabisch, zogeheten modale partikels: de onderstreepte woordjes in een zin als ‘Geef mij dat boek nou maar even aan.’ Ze lijken misschien onbelangrijk, maar als je ze weglaat, kom je algauw onbeleefd over.

Ik doe mee aan de opdracht, maar met mijn hoofd zit ik in de taalwetenschappelijke literatuur. Al decennia bestaat er in mijn vakgebied discussie over hoe je grammaticaregels moet aanleren. Volgens de ene theorie moet je dat eigenlijk helemaal niet doen: als leerders de taal maar genoeg horen en gebruiken, pikken ze de grammatica vanzelf wel op, zoals dat ook bij kinderen gaat. Volgens anderen werkt dat niet, doordat volwassenen anders zouden leren. Vanaf je puberteit pik je de regels niet meer automatisch op, dus moet een docent die expliciet maken. 

Carma kent de discussie. “Ik zit een beetje in het midden. Het doel is dat mijn studenten begrijpelijke zinnen gaan maken. Perfecte grammatica is niet het belangrijkste van de lessen, maar er moet wel een basis zijn.” Carma’s instelling sluit goed aan op de examenrichtlijnen. Daarin staat dat iemand met A2-niveau “bepaalde eenvoudige constructies correct gebruikt, maar nog stelselmatig elementaire fouten maakt; toch is de boodschap meestal wel duidelijk.” 

De woordenschat staat op het programma direct na de pauze. Een student leest een tekstje voor over burenhulp. Dat gaat prima, alleen gelukt klinkt als ‘geloekt’, met de g van goal. Carma vraagt welke klusjes je allemaal voor buren kunt doen. “De hond uitlaten”, zegt iemand. “Voor ze koken”, voegt een ander toe. “De gras snijden”, zegt een leerling. “Ja, het gras maaien”, zegt Carma. Zo’n verhulde verbetering, waarin ze de uiting herhaalt met de juiste woorden, is motiverender dan een expliciete correctie, en werkt minstens zo goed, heeft onderwijskundig onderzoek aangetoond. Soms vraagt Carma haar leerlingen om zichzelf te corrigeren. “Goed geantwoord,” zegt ze dan, “maar maak er nou eens een mooie zin van?” 

Nu moeten de studenten de klusjeswoorden koppelen aan plaatjes uit hun lesboek. Ieder hoofdstuk in het boek heeft dezelfde structuur: eerst komen nieuwe woorden voor in een tekstje. Dan volgen allerlei opdrachten, waarin studenten de woorden steeds opnieuw tegenkomen. Vervolgens gaan ze die ook zelf opschrijven en uitspreken. Aan het eind van het hoofdstuk moeten ze zelf zinnen maken waarin ze de woorden inpassen. In vakjargon heet die structuur, van passief herkennen naar actief gebruiken, de ABCD-methode. De letters illustreren dat de oefeningen steeds een stapje moeilijker worden en meer zelfstandigheid vereisen. 

Carma past het principe ook toe in haar lessen: daarom begon ze met een herhaling van het perfectum (“Ik heb verzonden!”), en eindigt ze de les met een oefening waarbij studenten zelf definities moeten geven van de geleerde woorden. Wat is repareren? “Kapotte dingen een oplossing geven”, zegt Samer. “Iets dat niet werkt, maken”, vult een klasgenoot aan. Tot slot volgt nog een peptalk. “Jullie spreken al veel beter dan in februari, bij het begin van de cursus. En het wordt nog beter. Volgend jaar begrijpt iedereen jullie.”  

Foto: Samer Daboul

Dagboek Samer
mei 2025 – hoe oefen je Nederlands in de praktijk? 

Na vier maanden les op de hogeschool begin ik de taal beter te begrijpen. Ik kan nu gesprekken tussen mensen op straat volgen, en ik weet hoe ik in het Nederlands kan vragen om dingen die ik nodig heb. Maar het proces heeft me uitgeput. Ik blijf zoeken naar het evenwicht tussen studeren en oefenen in het echte leven. Hoe kan ik taal en grammatica buiten de klas oefenen? Ik heb een Nederlands netwerk kunnen opbouwen. Maar veel anderen weten niet waar ze moeten beginnen. Ze leren omdat ze moeten, niet omdat ze willen.  

Het onderwijs is goed, maar alledaagse taal en spreekvaardigheid krijg je alleen onder de knie door ervaring. Het is makkelijk om de examens te halen met gemiddelde cijfers; lastiger is het om van de taal te leren houden en erin te gaan denken. Ik denk dat er een grote kloof zit tussen de theorie op school en het daadwerkelijke eigen maken van de taal in je hart, en het gebruik in het echte leven.  

Het is ploeteren voor Samer en zijn klasgenoten. Maar ze moeten wel – wie het vooraf bepaalde taalniveau niet binnen drie jaar haalt, kan een boete krijgen van tussen de € 225 en € 1000. Er staat dus flink wat druk op de ketel, om te zorgen dat inburgeringsplichtigen zo snel mogelijk meedoen in Nederland. En dat ze daarnaast zo snel mogelijk werk vinden – volgens de overheidswebsite een belangrijk doel van de wet. 

Onderzoeker Roxy Damen snapt die nadruk op werk wel: “We weten uit onderzoek dat inburgeraars graag aan de slag willen, dus ik vind het een goed uitgangspunt. Maar als je de focus te veel op werk legt, dan mis je vaak het sociale aspect: onderdeel worden van de samenleving. Dat lijkt toch wat ingewikkelder te regelen, want collega’s kunnen je daar niet altijd mee helpen. Maar het is wel iets wat door inburgeraars vaak wordt gemist.” Dat herken ik uit Samers verhalen. Hij is erg sociaal en kent inmiddels aardig wat Nederlanders. Maar zijn beste vrienden zijn de mensen uit zijn taalklas – mede-nieuwkomers, met weinig Nederlandse contacten. Sommigen van hen hebben jaren in een asielzoekerscentrum gewoond, of wonen er nog steeds, omdat er geen woning beschikbaar is. Dat helpt dat ‘meedoen aan de samenleving’ natuurlijk niet vooruit, en het Nederlands leren ook niet. 

Ik bespreek het probleem met Sylvia de Groot Heupner. Zij is directeur van Het Begint met Taal: een stichting die anderstaligen en Nederlandstaligen met elkaar in contact brengt, door allerlei lokale initiatieven op dat vlak aan elkaar te verbinden en te ondersteunen. “In het hele land zijn er taalcoaches, en programma’s met bijvoorbeeld taalbuddy’s op het werk”, knikt Sylvia. “Maar inburgeraars zijn niet wettelijk verplicht om taal informeel te oefenen buiten de gewone lessen, dus het is aan gemeenten of ze zulke dingen stimuleren.” En aan de inburgeraar om het te doen natuurlijk – niet iedereen heeft genoeg tijd, energie en motivatie om zoals Samer naast de verplichte taallessen nog extra te oefenen met een taalmaatje. 

Waarom is dat informele contact dan eigenlijk geen verplicht onderdeel van inburgering? Sylvia denkt dat politici niet altijd inzien hoe cruciaal het is. “Het afgelopen coalitieakkoord was echt van: inburgeren is volledig de verantwoordelijkheid van de nieuwkomer zelf. Maar de taal leren, en ook passend werk vinden, dat kún je niet alleen. Daar heb je een netwerk voor nodig. Daar hebben wij allemáál een rol in.” 

In Vlaanderen is het anders geregeld, vertelt Anne Claeys. Zij is taalcoördinator bij Atlas, een zogeheten agentschap, waar ze nieuwkomers in Antwerpen helpt hun draai te vinden. “‘De wederkerigheid van integratie’ staat in de Vlaamse wet als overheidstaak”, legt ze me uit. “We kijken dus niet enkel naar ‘wat heeft de inburgeraar te doen?’, maar ook naar: ‘wat moet er in de samenleving gebeuren om drempels te verlagen?’” 

De Vlaamse agentschappen combineren eigenlijk het werk van casemanagers als Irna met dat van een organisatie als Het Begint met Taal: ze verwijzen inburgeraars naar het reguliere NT2-onderwijs, maar ondersteunen ook bedrijven en vrijwilligers, om zo een informeel netwerk te creëren waar de inburgeraars terecht kunnen. “Laatst bijvoorbeeld bij een jeugdzorginstantie waar uit huis geplaatste kinderen wonen”, vertelt Anne. “Ze hadden een tekort aan kandidaten voor hun vacatures. Tegelijk willen anderstaligen graag in de zorg werken. Wij helpen dan om het werk zo vorm te geven dat iemand kan beginnen met baby’s verzorgen, en dan spelletjes kan gaan spelen met de kinderen die al wat ouder zijn. Zo kan iemand ook op een talige manier groeien als kinderbegeleider.” 

Als ik zo met Sylvia en Anne spreek, vraag ik me af wat ik zelf eigenlijk bijdraag. Samer en ik mailen en appen inmiddels steeds vaker in het Nederlands; dat is een begin. In 2024 waren er 23.000 taalvrijwilligers actief; ik neem me voor om me in 2025 bij hen aan te sluiten. Sylvia vertelt dat er ook andere manieren zijn: “Als je ergens werkt, kijk dan eens of er bij jou nieuwkomers in dienst zijn, en of je misschien iets kunt betekenen als taalbuddy op de werkvloer. Je communiceert dan toch al over je werk, dus het hoeft niet veel extra tijd te kosten. Als ze er niet zijn, gooi dan eens een balletje op: kunnen we vacatures misschien toespitsen op nieuwkomers? En vooral, in je buurt of wijk: knoop toch eens dat praatje aan.”  

Dagboek Samer
juni 2025 – twijfel over de gekozen route, zorgen over het politieke klimaat 

Sommige politici zeggen dat Syrië weer veilig is, en willen ons terugsturen. Ze kunnen dat niet zomaar doorvoeren, maar als ze anderen overtuigen, kan het wel werkelijkheid worden. Het voelt als een donkere tunnel. Veel vluchtelingen, ook ik, heroverwegen hun integratieroute, om voorbereid te zijn op wat de overheid gaat ondernemen.  

Echte integratie krijg je niet voor elkaar met alleen een wet. Het vraagt om een wederzijdse relatie tussen de nieuwkomer en de samenleving: een relatie gebaseerd op begrip, kansen en respect. Helaas is deze relatie op veel punten verslechterd door de haatdragende taal die sommige politici in Nederland bezigen. Ik ben woedend dat vluchtelingen worden ingezet in verkiezingscampagnes. 

Een jaar na onze eerste kennismaking zitten Samer en ik op een Amsterdams terras, met de inmiddels vertrouwde koffie en muntthee voor onze neus. Wat is er sindsdien veel veranderd, schiet door me heen. Waar Samer toen moe was, overweldigd door alles wat op hem afkwam, oogt hij nu energiek. Hij komt net van een werkafspraak, en nodigt me uit voor een tentoonstelling van zijn foto’s: de expositie New Voices, waaraan hij meedoet, reist door het land en is tot en met 17 november 2025 te zien in het Atrium Den Haag. Volgende week doet hij zijn A2-examen; hij moet nog even goed studeren. In het Nederlands bespreken we onze plannen voor de zomer. Ik ga op vakantie, lekker niks doen, maar daar is bij Samer geen sprake van – hij wil extra taallessen volgen, en zijn rijbewijs halen.  

Foto: Mona van den Berg

Samer vertelt me dat hij zou willen afwijken van het pad dat Irna heeft uitgestippeld. Volgens dat plan moet hij vanaf september vijf dagen per week naar taalles. Maar intussen heeft hij een netwerk opgebouwd in de fotografiewereld, en krijgt hij steeds meer opdrachten – die kan hij niet doen als hij elke dag op school zit. Bovendien wil hij liever een universitaire studie doen dan een hbo-opleiding. In Amsterdam heeft hij een Engels­talige studie ontdekt, waarvoor hij aan de ingangs­eisen voldoet. Studeren, werken, en ondertussen Nederlands leren van studiegenoten en collega’s – dat is wat hij wil.  

De wending verrast me, maar als ik naar huis fiets, snap ik het eigenlijk wel. Op de universiteit zie ik voortdurend studenten die na een jaar van studierichting veranderen. Pas als je aan iets begint, kom je erachter of het werkt. Waarom zou dat bij een inburgeringstraject anders zijn? Samer is erachter gekomen dat hij de taal liever op de werkvloer leert dan op school – de combinatie van taallessen, zelf oefenen en vrijwilligerswerk doen, is te vermoeiend. Van andere inburgeraars hoor ik dat de combinatie van taal leren, werken en voor kinderen zorgen te zwaar blijkt – zij willen juist wat meer tijd in de schoolbanken voordat ze werk gaan zoeken. Elk pad is anders, en onderweg veranderen de omstandigheden en behoeften.  

Irna is positief over Samers plannen. Hij heeft goed uitgelegd wat hij wil en waarom, en ze vindt zijn nieuwe idee dan ook logisch. Ze gaat zijn inburgeringsplan aanpassen: in plaats van de onderwijsroute zal hij verder de B1-route volgen. Het verplichte eindniveau gaat dus een stapje omlaag, en hij hoeft ook geen andere vakken meer te volgen. Ze spreken af dat Samer eerst zijn B1­-examen gaat halen. Daarna wil hij beginnen met een Engelstalige studie aan de universiteit, en parttime taalonderwijs volgen om B2-niveau te halen. Als dat niet kan, wil hij stoppen met Nederlandse les. Dan blijft het bij B1-niveau en is zijn traject alsnog geslaagd. In de praktijk zal hij nog wel doorleren, gewoon door met Nederlanders te praten.  

Intussen gaan de politieke ontwikkelingen snel. Volgens de Asielnoodmaatregelenwet, die in juni door de Tweede Kamer is gekomen, zullen permanente verblijfsvergunningen verdwijnen. Dat zou voor Samer betekenen dat zijn vergunning elke drie jaar opnieuw wordt bekeken. Als de overheid vindt dat Syrië veilig genoeg is, moet Samer terug. De Eerste Kamer moet het wetsvoorstel nog beoordelen, maar de dreiging ervan is nu al enorm. Heeft het wel zin om plannen te maken voor een toekomst in Nederland? Zouden het geploeter op de taal, en alle investeringen in een nieuw leven, voor niks blijken?  

Samer vertelt dat de plannen ook onder zijn vrienden grote zorgen oproepen. Hij is kwaad dat bestuurders politiek succes willen behalen met maatregelen die zo’n impact hebben op het leven van vluchtelingen. 

Hoe Samers pad verder loopt, of hij het inburgerings­examen op tijd haalt en op welk niveau, welke studie hij gaat doen, en of het fotoboek er komt – allemaal vragen waar ik in dit stuk geen antwoord meer op kan geven in dat ene jaar dat we hem zouden volgen. Gelukkig heb ik het afgelopen jaar genoeg mijlpalen meegemaakt om een antwoord te geven op de grote vraag waar het allemaal mee begon: helpt de inburgeringswet nieuwkomers om Nederlands te leren? 

Iedereen die ik gesproken heb, is het er eigenlijk wel over eens: de wet uit 2022 is een enorme verbetering ten opzichte van die ervoor. De commerciële taalscholen die van alles beloofden, maar weinig waarmaakten, zijn verdwenen. De kwaliteit van het NT2-onderwijs is gewaarborgd doordat gemeenten alleen nog met goede taalscholen in zee gaan. Ook vindt iedereen, inclusief inburgeraars zelf, het heel prettig dat de regie bij de gemeente ligt, en niet meer bij de inburgeraar. Voor Samer was de hulp van Irna precies het steuntje in de rug dat hij nodig had.  

De term inburgering 

Het woord inburgering roept al jarenlang kritiek op. Volgens socioloog Willem Schinkel benadrukt de term, net als integratie, een scheiding tussen ‘binnen’ en ‘buiten’ de samenleving. Stichting Civic, die zich inzet voor nieuwkomers, heeft een alternatief bedacht: startbeleid. Zo laat je volgens de stichting zien dat het beleid moet draaien om het faciliteren van een goede start, met als doel: barrières wegnemen, zodat nieuwkomers hun talenten en ambities kunnen benutten. Taallessen zouden aangeboden moeten worden als het een nieuwkomer helpt diens doelen te realiseren, maar ze zouden niet standaard verplicht moeten zijn, zoals in het huidige systeem. 

Onderzoeker Roxy Damen werkt aan een grondige evaluatie van de wet. Het is nog te vroeg voor harde conclusies, maar ze is voorzichtig positief: “We zien in cijfers uit eerder onderzoek dat mensen die de inburgering hebben gehaald een grotere kans hebben om aan het werk te komen. Dus het heeft nut; natuurlijk niet voor iedereen, maar wel voor een groot deel. Inburgering is eenminvestering, die niet alleen voor inburgeraars nuttig is, maar uiteindelijk voor de hele samenleving. Het kost tijd en geld, maar het kost uiteindelijk veel meer tijd en geld om het níét te doen.” 

Wat Roxy goed vindt aan de nieuwe wet, is dat er meer maatwerk mogelijk is. “Vroeger was inburgering gewoon inburgering. Eventueel kon je een ontheffing krijgen, maar verder was het traject voor iedereen hetzelfde. Terwijl: dé inburgeraar bestaat helemaal niet.” Het is dus fijn dat er nu drie routes zijn, met ook nog ruimte voor aanpassingen onderweg. Al zit daar natuurlijk een grens aan. “Wat er kan is begrensd door geld, maar ook door menskracht, mogelijkheden, aanbod, en dat verschilt allemaal per gemeente.” 

En daar zit een pijnpunt. Want hoewel de wet landelijk is, zijn er flinke verschillen tussen gemeenten in wat ze aanbieden aan onderwijs en begeleiding. Daardoor kon Samer in Nijmegen al taalles volgen voordat hij aan zijn traject begon, terwijl inburgeraars in kleine gemeentes die mogelijkheid vaak niet hebben. Irna heeft Samer heel actief geholpen met het vinden van een taalmaatje, maar andere gemeenteambtenaren hebben daar geen tijd of middelen voor. En op de ene plek is het docententekort groter dan op de andere. Met name in grotere steden hebben inburgeraars meer mogelijkheden, en dat is natuurlijk niet eerlijk.  

Een ander probleem met de wet is dat die wel voorziet in officieel onderwijs, maar niet in informeel sociaal contact met Nederlanders. Je kunt op school wel alle regels leren, maar als je nooit een praatje maakt met de buurman, dan leer je de taal nooit écht. Samer zegt het mooi in zijn dagboek: er zit een grote kloof tussen de theorie op school en de taal in het echte leven. Dankzij zijn enorme motivatie lukt het Samer steeds beter om die kloof te overbruggen, maar dat is niet voor iedereen weggelegd.  

Foto: Mona van den Berg

Wat ook niet helpt, is dat het inburgeringstraject, met zijn deadlines, examens, plannen en termijnen, niet goed past bij het instabiele leven van een vluchteling. Als het regime valt dat je oom heeft vermoord, kun je dan studeren op onregelmatige deelwoorden? Als je slecht slaapt door trauma’s en zorgen om je familie, kun je dan woordjes stampen? De inburgeraars die ik heb gesproken, zijn stuk voor stuk dankbaar dat de gemeente een plan voor ze maakt, taalonderwijs regelt en voor de vergoeding zorgt. Tegelijk moeten ze van de ene op de andere dag een strak stramien volgen, met de dreiging van een boete als het niet lukt. Soms voelt het meer als dwangbuis dan als cadeau.  

Binnenkort begint er een nieuwe regering. Moet die het inburgeringsbeleid intact laten of toch op de schop nemen? Sylvia vindt het een waardevol gedachte-experiment. “We zijn zo gewend aan dit systeem met subsidies, potjes, een indeling in verschillende groepen nieuwkomers met allemaal andere rechten. Wat nou als we met een schone lei beginnen? Ieder mens is anders. Denk bijvoorbeeld aan Samer. Wat zou voor hem nou fijn zijn? Wil hij aan het werk en daarna de taal leren? Of beginnen met taal, dan een beetje hulp bij het vinden van werk en zich daarna verder ontwikkelen?” 

Je zou kunnen denken aan een systeem waarbij mensen onderwijsvouchers krijgen die ze mogen inzetten op een zelfgekozen moment. Sylvia: “Zo doen we dat met studiefinanciering ook: je mag die op je achttiende aanvragen, maar je kunt ook eerst een tussenjaar doen of een tijdje gaan werken. Als je de nieuwkomer centraal stelt, kun je pas écht maatwerk bieden. Laat inburgeraars, werkgevers, gemeenteambtenaren en burgers samen kijken: hoe kunnen we dit op een duurzame, leuke manier met elkaar gaan doen? Daar hebben we allemaal een rol in.” 

Een flexibel systeem, waarin ieder individu een steuntje in de rug krijgt op een zelfgekozen pad – ik vind het een verfrissend idee na de toch wel strenge procedures die ik via Samer heb leren kennen. Het zou de wet zoals die nu is, met zijn persoonlijke begeleiding en zo individueel mogelijke aanpak, nog sterker maken. Maar zelfs een perfect vormgegeven inburgeringstraject heeft weinig zin als Samer niet zeker weet of hij mag blijven. Hoe groot zijn motivatie ook is, zelfs híj raakt ontmoedigd door het vooruitzicht dat hij teruggestuurd kan worden. Waarom zou hij dan nog zijn B2-examen halen? Of een lokaal netwerk opbouwen? Dit stuk beschrijft de eerste twee jaar van Samers Nederlandse verhaal. Ik hoop dat hij de kans krijgt het vervolg zelf te schrijven.  

Dagboek Samer
juli 2025 – en hierna? 

Nieuwkomers hebben er niet voor gekozen om te vluchten of om opnieuw vanaf nul te beginnen – moeilijke omstandigheden hebben hen daartoe gedwongen. Vluchtelingen zijn niet zwak: we hebben talenten en kracht. We zijn juist heel sterk.  

Inmiddels heb ik mijn A2-examen gehaald en ik begin binnenkort met B1-lessen. Ik ben trots op wat ik tot nu toe heb bereikt. Maar ik weet echt niet wat mijn stappen hierna gaan zijn. Ik ga verschillende dingen proberen en kijken wat het beste werkt. Want op dit moment heb ik geen idee wat de regering gaat besluiten over onze toekomst. <<

Over de auteur

Foto: Andy Zuidema

Sterre Leufkens is taalwetenschapster aan de Universiteit Utrecht en heeft Nederlands gedoceerd aan internationale studenten. Als wetenschapsjournaliste schrijft ze voor onder meer NEMO Kennislink, KIJK Magazine en Onze Taal.

Deze publicatie is tot stand gekomen met steun van het Fonds Bijzondere Journalistieke Projecten (Fondsbjp.nl). Met ook veel dank aan alle mensen die in dit stuk genoemd zijn, alsmede aan Ben van Enk (Wetenschappelijk Onderzoek- en Datacentrum), Rosa Spanjaard (freelance NT2-docente), Rob Hartgers (RFG Media), Subhi Almatroud en Karin Arendsen (BOOST Amsterdam), Jolien de Vries (Open Embassy), Ana Karadarević en Anhela Alickovic (Vluchtelingenwerk), Aubry Cornelis (Agentschap Integratie & Inburgering), Ataklti en Maher.