
“Ik schreef omdat ik wat te zeggen had, en dat is nog steeds zo”
Interview met schrijfster en activiste Anja Meulenbelt
Feministisch boegbeeld Anja Meulenbelt strijdt al meer dan vijftig jaar voor een rechtvaardiger wereld. Welke rol speelt taal daarin? Over de noodzaak van schrijven, tekortschietende woorden en leren van jonge mensen.
Het boek waarmee Anja Meulenbelt vijftig jaar geleden bekend werd, opent met een zoektocht naar woorden die haar ervaringen kunnen vangen. “Taal, mijn probleem is taal, het is niet mijn taal”, schrijft ze in De schaamte voorbij (1976). “Liefde. Pijn. Woorden die vlak worden, of zakelijk, of hard. Kut. Vagina. Orgasme. Niet mijn taal, maar ik heb nog geen andere.”
Als onderdeel van de tweede feministische golf was Meulenbelt ervan overtuigd geraakt dat het persoonlijke politiek is. Met andere woorden: dat privézaken als liefde, seksualiteit en kinderen onlosmakelijk verbonden zijn met politieke en maatschappelijke structuren. Door onomwonden over haar persoonlijke leven te schrijven, liet Meulenbelt zien dat haar ervaringen niet individueel waren, maar door heel veel vrouwen werden gedeeld. De schaamte voorbij werd zo in één klap een van de belangrijkste feministische werken van die tijd. Maar dat ging wel gepaard met veel ophef. “Er ontstond een enorm gekrakeel over de vraag of het boek wel echte literatuur was”, blikt ze terug terwijl ze thee inschenkt in haar woonkamer in Amsterdam.
Anja Meulenbelt
Anja Meulenbelt (Utrecht, 1945) is schrijfster, activiste en oud-politica, en geldt als een van de boegbeelden van de tweede feministische golf in Nederland. Ze schreef 53 boeken, waaronder De schaamte voorbij (1976), Alba (1984), Nooit meer is nu. Over Israëlisch kolonialisme en Palestijns verzet (2024) en Niet van gisteren. Memoires maar dan anders (2025). Meulenbelt was mede-oprichter van de Feministische Uitgeverij Sara en de Anna Bijns Prijs, die om de twee jaar toegekend werd aan een vrouwelijke auteur. Tussen 2003 en 2011 zat ze in de Eerste Kamer voor de SP; later was ze betrokken bij BIJ1. Afgelopen mei ontving Meulenbelt de P.C. Hooft-prijs; ze was daarmee de eerste vrouw die deze prijs kreeg voor beschouwend proza.
P.C. Hooft-prijs
Kritische reacties kreeg ze ook afgelopen najaar – weliswaar op kleinere schaal –, toen bekend werd dat ze de P.C. Hooft-prijs voor beschouwend proza had gewonnen. Weer gingen er stemmen op die stelden dat Meulenbelt niet de literaire kwaliteiten bezit om zo’n prestigieuze oeuvreprijs te ontvangen. “Ik las ergens dat Oek de Jong de prijs in mijn plaats had moeten winnen. Dat oudere witte mannen nu minder kans maken.” Ze kan er wel om lachen. “Ik heb altijd gedacht: klagen jullie maar. Wat kan mij dat nou schelen? Ik heb nooit literaire ambities gehad.”
Je wilde geen schrijver worden?
“Nee. Eigenlijk best vreemd, want ik had twee oma’s die schreven en een oom die dichter was. Toch heb ik nooit gedacht: was ik maar schrijfster.”
Waarom ben je toch gaan schrijven?
“Ik zat in de jaren zeventig in praatgroepen, waarin vrouwen bij elkaar kwamen om het te hebben over allerlei thema’s die ons bezighielden. Moeizame relaties met mannen, seksualiteit, huiselijk geweld. We waren bezig onszelf opnieuw uit te vinden. We wilden niet zo worden zoals onze moeders. Maar hoe dan wel?”
“Er waren geen Nederlandse boeken die gingen over de dingen die wij ervaarden. Ja, in romans kwam je wel eigenzinnige vrouwen tegen, maar daar liep het altijd slecht mee af. Voor ons was het duidelijk: dan moeten wij maar gaan schrijven. We zijn een vrouwenkrantje begonnen en gaan stencilen – blaadje voor blaadje voor blaadje.”
“Voor De schaamte voorbij had ik al een boek geschreven: Feminisme en socialisme. Een theoretisch, afstandelijk boek. Dat wekte misschien de indruk dat vrouwenemancipatie makkelijk is: ‘Dit is de analyse, dit is het probleem en zo gaan wij socialistische feministen het oplossen.’ Maar zo simpel is het allemaal niet, merkte ik in mijn eigen leven en dat van de vrouwen om me heen. We worstelden in de liefde, met vriendschappen, met moederschap, met seksualiteit. En dat wilde ik op een zo eerlijk mogelijke manier weergeven.”

In hoeverre was je ook bezig met het vinden van een eigen literaire stijl?
“Ik heb me altijd meer beziggehouden met de inhoud. Ik schreef omdat ik wat te zeggen had, en dat is nog steeds zo. Wel stel ik mezelf altijd de vraag: hoe vertel ik een verhaal zo duidelijk mogelijk? Dat komt onder andere doordat ik twintig jaar les heb gegeven op een beroepsopleiding voor hulpverleners. Mijn studenten werkten naast hun studie, hadden al veel levenservaring en heel weinig geduld. Ze waren nieuwsgierig en wilden best iets over de theorie weten, maar je moest wel direct duidelijk maken wat ze eraan hadden. Daar heb ik veel van geleerd: ik schrijf zoals ik praat en praat zoals ik schrijf.”
Door de jury van de P.C. Hooft-prijs word je dan ook geprezen om je “directe, rauwe, staccato” stijl.
“Ja, de jury schreef in het rapport dat ik niet te vergelijken ben met een operazangeres als Maria Callas, maar eerder met iemand als Janis Joplin. Rauw. Ja, daar kan ik me goed in vinden.”
Vijftig boeken
Inmiddels heeft Meulenbelt een indrukwekkend oeuvre opgebouwd: na De schaamte voorbij schreef ze meer dan vijftig boeken. Over feminisme, klasse, racisme en – sinds ze in de jaren negentig voor het eerst Gaza bezocht – ook over de Palestijnse zaak.
In haar meest recente boek, Niet van gisteren (2025), blikt ze terug op haar werk als auteur, activiste, politica en docente en haar voortdurende strijd voor een rechtvaardiger samenleving. Regelmatig zoomt ze daarbij in op de taal die we tot onze beschikking hebben om onrecht aan te kaarten en bloot te leggen. “De woorden die we gebruiken, zijn belangrijk. Ze vormen ons denken”, schrijft ze. “Dus zijn we, als we politiek en menselijk bewust willen zijn, bezig om ons taalgebruik bij te stellen en aan te passen aan de realiteit zoals we die ervaren.”
Uit De schaamte voorbij
En dan, hoe beschrijf ik de vrouwenbeweging. De discussies waardoor de flarden van mijn leven als puzzelstukken in elkaar vallen, de lijnen van mijn verleden zichtbaar worden. Al die vergaderingen feesten congressen met vrouwen, moeilijker zichtbaar te maken in een boek dan de relaties die ik had. Mijn taal schiet tekort. Iedereen kent de codes van man-vrouwverhoudingen. Emoties herkenbaar, al was het maar uit de film. Maar hoe beschrijf ik de eerste ervaringen van solidariteit, de gloed in mijn buik even wezenlijk en tastbaar en lijfelijk als mijn verliefdheden, zonder in geëxalteerde termen te vervallen. Zusterschap. Het klinkt net zo oudbakken als verpleegsters, nonnen, oude vrijsters.
(Uit de heruitgave van De schaamte voorbij, uit 2025)
Welke woorden hebben jouw blik op de wereld verbreed?
“Ik heb bijvoorbeeld veel opgestoken van gesprekken met transgender mensen. Zij hebben het voor mij heel invoelbaar gemaakt wat het betekent als je je niet kunt identificeren met het geslacht dat je bij geboorte toegeschreven kreeg, en waarom taal een belangrijk onderdeel van die ervaring is. Zo leerden zij me dat je over een trans vrouw niet moet zeggen dat die ‘geboren is als man’, omdat ze altijd al een vrouw is geweest. En dat het beter is om te spreken over ‘in transitie gaan’ dan over ‘je laten ombouwen’.”
“Daarnaast is klassenmigratie een ander relatief nieuw woord dat ik heel nuttig vind. Het maakt inzichtelijk hoe ingrijpend het kan zijn als je van de ene klasse naar de andere ‘verhuist’. Je kunt jezelf een klassenmigrant noemen als je bijvoorbeeld als eerste van je familie naar de universiteit gaat. Je belandt dan in een heel nieuwe omgeving, met nieuwe taal, omgangsvormen en ongeschreven regels. Je past er niet helemaal tussen, maar in je oude omgeving hoor je er ook niet meer helemaal bij. Het is te vergelijken met hoe veel migranten hun verhuizing van het ene naar het andere land omschrijven: je zit altijd tussen twee werelden in.”
In Niet van gisteren schrijf je dat het taalgebruik rondom klasse tekort schiet. Waarom vind je dat?
“Als ik over klasse praat, bied ik altijd eerst mijn excuses aan. Het is in het Nederlands namelijk heel moeilijk om het over klassenverschillen te hebben zonder de woorden hoger en lager te gebruiken. Je vervalt daarmee automatisch in waardeoordelen, want hoger is dan altijd beter dan lager. Ik sta niet achter die taal, maar ik heb nog geen geschiktere woorden gevonden. Je kunt hoogopgeleid en laagopgeleid wel vervangen door theoretisch en praktisch geschoold, maar dat dekt toch niet helemaal de lading. Die woorden kun je niet gebruiken voor andere klassenverschillen, zoals status, smaak, inkomen en hoe mensen praten: ‘plat’ of ‘beschaafd’.”
Er zijn mensen die een zekere weerstand voelen zodra er nieuwe woorden geïntroduceerd worden of als een woord taboe wordt. Die blijven dan bijvoorbeeld blank zeggen in plaats van wit, dat tegenwoordig geldt als neutralere tegenhanger van zwart.
“Nou ja, dat kan. Het is niet verboden om bepaalde woorden te gebruiken. Maar je laat daarmee zien dat je niet bereid bent om te luisteren naar de mensen over wie het gaat. Ik luister wel.”
Spreek je mensen weleens aan op hun taalgebruik? Ga je erover in discussie?
“Het hangt ervan af of ik denk dat het zin heeft. Er zijn mensen met wie niet te praten valt. Die kun je niet op andere ideeën brengen. Maar ik ga heel graag het gesprek aan met mensen die daarvoor openstaan. Niet alleen over taal, maar ook over onderwerpen als Palestina, islamofobie en seksisme. Ik vind het heel belangrijk dat mensen die hierover willen leren, de vragen mogen stellen waarmee ze zitten, dat daar safe spaces voor zijn. Dat is ook hoe ik mijn bewustzijn over gender vergroot heb: doordat er trans mensen waren aan wie ik alles mocht vragen. En het vergt een lange adem om iemand bewust te maken van diens blinde vlekken. Vergeet niet dat ik er ook jaren over heb gedaan om te snappen welk onrecht Israël de Palestijnen aandoet.”

Niet traditioneel
In Niet van gisteren bespreekt Meulenbelt een hele rits aan jonge(re) denkers, schrijvers en activisten die haar tot nieuwe inzichten hebben gebracht. “Daar heb ik veel over gediscussieerd met mijn redacteur”, vertelt ze. “Zij vond dat een paar van die boeken het best achter in het boek vermeld konden worden als voetnoot, in plaats van in de lopende tekst. Maar ik weigerde. Als je mijn boek leest, wil ik dat je ziet dat ik andere mensen nodig heb gehad om mijn ideeën aan te scherpen.”
Om diezelfde reden wilde ze geen traditionele memoires schrijven. “Ik heb in vijftig jaar heel veel bijgeleerd, en dat is óók mogelijk dankzij allemaal jonge mensen die niet bij het establishment horen, maar wel heel belangrijke dingen te zeggen hebben. Daar moet maar eens naar geluisterd worden.”
Vind je dat je zelf inmiddels onderdeel van het establishment bent?
“Ik heb natuurlijk bepaalde privileges – ik ben een witte vrouw, ik spreek nog steeds hetzelfde nette Nederlands als waarmee ik groot ben geworden en ik ben een bekende naam. Maar establishment? Nee, ik heb niks met de witte middenklasse die, vaak zonder dat te beseffen, de dienst uitmaakt – mensen die denken dat zij kunnen bepalen wat onze normen en waarden moeten zijn. Ik voel mij veel meer verwant met al die mensen die gemarginaliseerd worden, die ‘anders’ zijn. Ik sta aan hun kant.”
Wat doet het dan met je dat je een P.C. Hooft-prijs krijgt – daarmee krijg je toch erkenning van de gevestigde orde?
“Laatst vroeg iemand aan me of ik meer zelfwaardering heb gekregen door het winnen van de prijs.” Lachend: “Nou, mijn zelfwaardering is al tamelijk in orde hoor. Die meet ik namelijk af aan wat mijn werk heeft betekend voor anderen. En het kan altijd beter – ik had altijd meer kunnen doen … Maar een tijdje terug sprak een vrouw me aan op straat. ‘Ik heb je altijd eens willen bedanken’, zei ze. ‘Dat boek van jou’ – ik vroeg niet welk boek ze bedoelde, dat zou flauw zijn – ‘daarvan heb ik geleerd dat ik een vrij mens ben, en dat ik mijn eigen keuzes mag maken.’”
“Weet je wat grappig is? Toen De schaamte voorbij verscheen, was een deel van de vrouwenbeweging boos op mij. Omdat ik opeens beroemd was en geld kreeg. Dat vonden ze maar niks. Maar toen bekend werd dat ik de P.C. Hooft-prijs kreeg, heb ik meer dan drieduizend felicitaties ontvangen! En natuurlijk zaten er een paar zure reacties bij. Maar het gros was enthousiast, onder wie de jongere activisten en schrijvers. Die hebben het gevoel dat de erkenning die ik nu krijg, ook hun ten goede komt. De jury erkent er namelijk mee dat beschouwend proza óók activistisch en geëngageerd proza mag zijn. Die waardering betekent veel meer voor me dan die prijs zelf.” <<
