
“In het Nederlands ben ik gelaagder”
Interview met multitalent Aafke Romeijn
Ze maakt muziek, ze dicht en ze schrijft. Over depressie bijvoorbeeld, een terugkerend thema in haar werk – ze dealt er al haar hele leven mee. “Ik wil graag communiceren over hoe ik me voel, en dat wil ik zo mooi mogelijk doen.”
In het Utrechtse appartement van Aafke Romeijn is het gemoedelijk en warm. We drinken thee aan de keukentafel, en naast ons, op een stoel met een kleurrijk gehaakt kleedje, ligt kat Henk tevreden te snurken. Schuin achter Aafke staat een piano. Muziek maken is iets wat ze al sinds haar tienerjaren doet, net als schrijven: songteksten, columns, poëzie en proza.
Je hebt Nederlandse taal- en letterkunde gestudeerd in Utrecht. Waarom heb je daarvoor gekozen?
“Ik wilde schrijver worden. Ik las heel graag en vond niks zo leuk als over boeken praten. Op de eerste dag op de universiteit kreeg ik college van Wilbert Smulders, docent moderne Nederlandse letterkunde. Hij vroeg: ‘Wie zit er hier om schrijver te worden?’ Ik stak mijn hand op en hij zei: ‘Dan kun je beter weer naar huis gaan, want ik ga je niet leren hoe je moet schrijven.’ Dus ik dacht, heel dwars: hier moet ik zijn.”
Inmiddels ben je wel degelijk schrijver geworden en heb je twee romans op je naam staan: Concept M en 7B. Allebei politiek getinte scifi-verhalen rondom de mysterieuze ziekte ‘kleurloosheid’. Nu ben je aan een nieuw boek bezig. Is dat ook weer sciencefiction?
“Nee, ik ben nu een roman aan het schrijven over het onderwijs, met als titel: Het professionele leven van Keetje Kwant. Het is deels autobiografisch en eigenlijk was ik er al aan begonnen op mijn tweeëntwintigste, toen ik net Nederlands gaf op een gymnasium hier in Utrecht. Ik heb er toen vijf jaar aan gewerkt, maar het lukte toen niet. Achteraf denk ik dat ik er nog te dicht op zat. Ik had al wel een uitgever en een redacteur, maar op een gegeven moment liep ik vast. Ik vond het niet goed genoeg. Dat was best een naar moment.”
“Het jaar daarna heb ik het daarom over een totaal andere boeg gegooid en debuteerde ik met Concept M. En nu, zestien jaar later, heb ik pas een idee over hoe ik een goed boek kan maken van dat verhaal over lesgeven. Ik ben helemaal opnieuw begonnen, alleen het raamwerk is hetzelfde: het verhaal speelt zich af binnen een schooljaar, en gaat over een docent en een klas. Maar ik heb nu een fictief plot toegevoegd. Eerder durfde ik dat niet. De situatie is misschien autobiografisch en er zitten personages in die wel een beetje lijken op mensen die ik echt heb gekend. Maar ik laat het verhaal helemaal escaleren, en dat is echt heel leuk om te doen.”
Aafke Romeijn
Multitalent Aafke Romeijn (Overasselt, 1986) schrijft, is muzikant en maakt podcasts. Daarnaast vervult ze allerlei muziekgerelateerde bestuursfuncties, leert ze Russisch en is ze lijstduwer voor GroenLinks-PvdA. Aafke studeerde Nederlandse taal- en letterkunde, en daarna compositie aan het conservatorium. Vervolgens onderwees ze zes jaar lang Nederlands. In 2012 verscheen haar eerste album, het Engelstalige Stella Must Die!, een jaar later gevolgd door het Nederlandstalige CHIN. IND. SPEC. REST. In 2018 debuteerde ze met de roman Concept M. Later verscheen er niet alleen een tweede roman, maar ook een dichtbundel en twee boeken over depressie. In 2025 bracht Aafke haar zesde album uit, Ultraviolet. In datzelfde jaar verscheen haar derde podcastserie, De Afghaanse Hand (over de Nederlandse missie in Uruzgan), en was ze ambassadeur van de Week van het Nederlands. Naast haar drukke offline leven is Aafke ook chronisch online. Volg haar vooral op Instagram en TikTok: “Dat vind ik gezellig!”
Op Substack, het digitale platform voor creatieve makers, schreef je dat je nu nog maar weinig boeken leest.
“Ik vind het heel moeilijk om me te concentreren en om er tijd voor vrij te maken. Er is zo veel afleiding. Ik heb een kind, een smartphone en ik schrijf. Schrijven kost me heel veel denktijd, dus meestal heb ik daarna dan geen zin om in een roman van iemand anders te gaan zitten. Als kind en ook tijdens mijn studie en mijn tijd als docent las ik veel, ook omdat het moest natuurlijk. Een boek waar ik echt van smulde, was Orchis militaris van Ivo Michiels uit 1968 – een heel modernistische oorlogsroman. Ik heb het boek compleet geanalyseerd, met schemaatjes en overzichten. Er een soort statistiek op loslaten, dat vond ik helemaal fantastisch.”
“Ik lees nu nog steeds wel veel, maar vooral non-fictie en essays, geen romans. Ik wil gewoon zo graag dingen weten, ik ben zo nieuwsgierig. Dan denk ik: ik kan nu een roman lezen over iets fictiefs, maar ik kan ook in de geschiedenis van Noord-Ierland duiken. En eigenlijk heb ik daar dan veel meer zin in. Ik vind dat heerlijk. Ik kan ook echt verdwalen op Wikipedia.”
In 2024 was je de auteur van het Groot Utrechts Dictee. “Het feeërieke centrum van de domstad Utrecht kent talloze majestueuze bouwwerken en petieterige cafeetjes”, luidde het eerste deel van zin één. Jouw natuurlijke schrijfstijl is heel helder en toegankelijk, in tegenstelling tot de ‘gedrochten’ in zo’n dictee. Vond je het een moeilijke opdracht?
“Dat viel mee. Als tiener deed ik al mee aan het Groot Dictee der Nederlandse Taal. Dit soort moeilijke werkjes vond ik als kind echt heel leuk. Iets waar je heel erg je best voor kon doen en dan kon laten zien: kijk eens wat ik kan! Het Groot Dictee is toch een soort Olympische Spelen. Op een bepaald moment was ik echt een spellingfreak. Toen hield ik alle wijzigingen van de spellingregels bij. Ook als je leraar Nederlands bent, word je beter in spelling, want dan moet je dat de hele dag uitleggen. Dus ik ben er wel goed in. Mijn redacteur zegt altijd: ‘Ik ken geen enkele auteur die zo weinig spelfouten maakt als jij.’ Mijn eerste reactie is dan: ‘Huh, maak ik spelfouten?’”
“Voor het Utrechts dictee heb ik eerst een lange lijst gemaakt van woorden en zinsconstructies die ik wilde gebruiken. Het dictee moest over Utrecht gaan, dus ik zocht allemaal woorden bij elkaar die binnen dat thema pasten. Daarna werd het eigenlijk een soort puzzel. Ik heb er veel woorden in verwerkt die ik zelf fout zou doen. Bijvoorbeeld stukadoor, met een k en niet een c, daar moet ik altijd heel lang over nadenken.”

In 2022 schreef je een informatief boek over leven met depressie: Ga gewoon wat leuks doen. Is dat het ergste wat je tegen iemand met een depressie kunt zeggen?
“‘Stel je niet zo aan’ is denk ik het ergste wat je kunt zeggen, maar dat is niet zo’n leuke titel. Mijn uitgever – een oud-studiegenoot – wilde een boek over depressie als onderdeel van de serie ‘Hoofdzaken’ over mentale gezondheid. Ik droeg een aantal keer iemand aan, tot ze zei: misschien moet jij het gewoon zelf doen. Ik vond het heel makkelijk om te schrijven, want het was geen sciencefiction; ik hoefde geen dingen te bedenken. Ik heb ook nooit moeite gehad om open te zijn over mijn depressie.”
Ik denk dat veel mensen dat juist wel moeilijk vinden.
“Dat is ook de reden waarom ik erover blijf schrijven. Als ik depressief ben, wil ik zo goed mogelijk uitleggen hoe erg het gesteld is met mij. En dat kan ik inmiddels op honderdduizend manieren.”
Een metafoor die Aafke vaak gebruikt om depressie te omschrijven is Godzilla, een monster uit een oude Japanse film. Neem dit fragment uit de dichtbundel Leegstand uit 2020: “Als mijn lichaam en hoofd een stad vormen, dan is Godzilla de depressie die ik denk te bevechten. Mijn autoriteiten werpen slaappillen, antidepressiva, periodes zonder alcohol, koffie, pittig eten, koolzuurhoudende dranken, periodes van intensief wandelen, een ijzeren dagritme, meditatie en medicatie, therapiesessies waarin wordt gesproken over het lacaniaans tekort waar we omheen draaien als water om een afvoerputje. De depressie ontkomt.”
Dat klinkt alsof zowel de depressie als Godzilla onverslaanbaar is, ondanks alles waar ze mee ‘aangevallen’ worden.
“Klopt, zo voelt het ook: een allesverwoestend ding waar je heel weinig tegen in te brengen hebt. Die metafoor ben ik gaan gebruiken nadat ik een film over Godzilla zag tijdens corona. Toen was ik heel depressief. Ik wil dan graag communiceren over hoe ik me voel, en dat wil ik dan wel zo mooi mogelijk doen. Steeds weer nieuwe woorden en manieren vinden om het uit te leggen. Een depressie is een heel fysiek proces, en we hebben heel weinig woorden om over fysieke sensaties te schrijven. Dat vind ik best gek. Ja, pijn, maar dat is heel groot en breed en kan echt duizend dingen betekenen. In Leegstand doe ik er bijvoorbeeld pagina’s lang over om te omschrijven hoe het voelt als je lichaam een soort van” – ze pauzeert even – “zoemt. Dat je heel nerveus bent en er zo’n ‘zzzzz’ door heel je lichaam heen gaat. Dat is heel moeilijk te omschrijven. Iedereen die weleens heel bang is geweest kent dat gevoel wel, denk ik.”
Immer

Aafke over haar immer-tatoeage (Duits voor ‘altijd’): “Een kunstenaar uit Berlijn heeft dit voor mij gemaakt in zijn handschrift. Het Duits vind ik echt een fantastische taal. Daarbij hou ik heel erg van letters, en ik heb allemaal tatoeages die met de eeuwigheid te maken hebben, dus dat paste wel.”
Ultieme vrijheid
Depressie is ook een belangrijk thema in de muziek van Aafke Romeijn. In een nummer als ‘Monotoon’ (van haar nieuwste album Ultraviolet) staat de dansbare melodie lijnrecht tegenover de tekst, waarin het gaat over het belang van rust en regelmaat tijdens een depressieve periode: “Ik wil alle muren dezelfde kleur / dezelfde kamer achter elke deur / er gebeurt al zoveel in mijn hoofd / doe mij maar gewoon / monotoon”.
Je allereerste nummers schreef je in het Engels. Waarom ben je later toch overgestapt op het Nederlands?
“Toen ik begon met muziek maken was ik ongeveer zestien, en destijds was het nog helemaal niet bon ton om in het Nederlands te schrijven, tenzij je Bløf of Marco Borsato was. Destijds maakte ik echt lomp harde gitaarmuziek en ik wilde graag serieus genomen worden. Dat was als klein blond meisje sowieso al lastig in dat genre. Dus ik deed vooral wat anderen ook deden. Toen ik Spinvis in 2012 in Paradiso in het Nederlands zag zingen, dacht ik: o wacht, dit kan gewoon wél. Het is niet dat ik slechte teksten schreef in het Engels, maar ik denk wel dat ik veel gelaagdere teksten kan schrijven in het Nederlands. Dat ik veel preciezer kan zijn in wat ik wil zeggen. Bovendien schreef ik poëzie en proza ook al in het Nederlands.”
“De overstap vond ik wel lastig. Er zijn een aantal aspecten aan het Nederlands die het een moeilijke taal maken om in te zingen. Dat we zoveel verschillende klinkers hebben bijvoorbeeld: woorden rijmen daardoor minder snel. In het Engels kun je zo ongeveer alles vervormen naar een ee of een ie. Zo zingt Adele eigenlijk altijd maar één klinker. In het Nederlands kan dat niet. Er zijn wel artiesten die van alle ee’s en ij’s een aai maken, maar dat hoor je toch en het leidt heel erg af.”
“Ook hebben we veel meer medeklinkers achter elkaar, en dat is gewoon heel vervelend. Je moet dus echt kijken: past dit? Krijg ik het zo m’n strot uit? En qua klank, zing ik met een harde of zachte g? Met een zachte g vind ik veel mooier, maar ja, dan klink je meteen als een Brabander. Toen ik Nederlands ging studeren in 2004, had ik nog een Brabants accent, maar ik merkte al snel dat dat niet echt hip was. Dat is de afgelopen jaren heel erg veranderd. Ook in de muziekscene.”
Tot slot: je maakt veel verschillende dingen. Muziek, proza, poëzie. Hoe bepaal je welke vorm je kiest?
“De vorm is meestal wel redelijk duidelijk als een onderwerp zich aandient. Sommige onderwerpen kan ik nergens kwijt en dan ga ik er nummers over schrijven; dat is meestal een beetje hoe het werkt”, zegt Aafke uitbundig lachend. “Songteksten vind ik zo ongeveer de moeilijkste tekstvorm die er is. Je bent zo gebonden aan het metrum, en je ruimte is beperkt. Daarom vind ik poëzie schrijven echt superchill. Het lijkt in veel opzichten op een songtekst schrijven, maar het is zoveel makkelijker. Je hoeft nergens rekening mee te houden, behalve met hoe het eruitziet en hoe je je erbij voelt. Het is de ultieme vrijheid.” <<
Aafke Romeijn vertelt in de podcast Over taal gesproken ook over de taal van depressie. Beluister de podcast hier.
