In zijn gedichten mixt Benzokarim verschillende talen, van meanderend Arabisch tot krachtig Afrikaaps. En dat werkt: zijn poëzie komt binnen. Een gesprek over verwende taal, verboden woorden en te lang alleen zijn.

Omdat hij midden in een verhuizing zit en zijn kleine studio in Rotterdam-Zuid vol dozen staat, tref ik Benzokarim in een Rotterdams café. Daar zit hij – zwart vest, antraciet overhemd, bril met zwart montuur – al ontspannen bij het raam aan een verse muntthee. Aan zijn vingers prijken zilveren ringen, sommige bewerkt, andere met stenen in de kleur van geronnen bloed.

Als ik hem vraag naar zijn nieuwe stek, lichten zijn ogen op: “Ik ga naar Schiemond, een levendige wijk aan de Maas. Heel fijn, want water betekent veel voor me. Het geeft me rust, even weg van de drukte van de stad.” Benzokarim heeft iets met havensteden: zijn ouders komen uit Port Said in Egypte, hij is verliefd op Kaapstad en zeven jaar geleden verruilde hij Den Haag voor Rotterdam. “Een stad die omringd is door water wordt beschermd door de ruimte die daarboven ontstaat; die kun je niet dichtbouwen”, mijmert hij poëtisch.

Benzokarim

Benzokarim werd geboren onder de naam Karim Ellouta (Den Haag, 1996). Als tiener vond hij weinig aansluiting bij leeftijdsgenoten. “Daar zat ik mee. Thuis schreef ik dat van me af. Ik maakte al poëzie voordat ik wist wat het was.” Zijn studiekeuzes waren ook geen voorbodes van een dichterscarrière: hij begon aan economie, rechten en een opleiding tot docent maatschappijleer – en staakte ze ook weer allemaal. Nadat hij in 2020 “per ongeluk” de finale van het NK Poetry Slam had gehaald, ging het hard. Hij stond onder meer op het podium van Crossing Border, de Nacht van de Poëzie, Lowlands en het Boekenbal. “Mensen noemen mij een spokenwordartiest, maar ik ben vooral dichter, ik schrijf voornamelijk voor papier.” In 2022 debuteerde Benzokarim met de bundel El Ghorba (2022), waarvoor hij de El Hizjra Literatuurprijs ontving. Met zijn vorig jaar verschenen tweede bundel Ons gaan allemaal won hij de prestigieuze Jan Campert-prijs voor poëzie. Benzokarim woont in Rotterdam, waar hij sinds 2025 stadsdichter is.

Met twee Egyptische ouders ben je tweetalig opgevoed. Hoe heeft dat jou gevormd?
“Ik ben in Nederland geboren en ging hier naar school, maar thuis spraken we Arabisch en ik kreeg Arabische les. Het Nederlands is de meest natuurlijke taal voor mij. Alleen als ik bij familie ben of aan familie denk, denk en voel ik in het Arabisch. En als ik maar lang genoeg in Egypte ben. Maar worden gevoelens en gedachten dieper of ingewikkelder, dan schakel ik over op het Nederlands.”

In je gedichten gebruik je ook Arabische woorden.
“Ik heb dat nodig. Soms geeft een Arabisch woord een bepaald gevoel weer. Het woord dag voelt bijvoorbeeld anders dan het Arabische ayem. Ayem behelst de ervaring van een hele dag, compleet met gevoelens en gedachten; dag is meer de feitelijke beschrijving van een etmaal. Het Arabisch dat in Egypte, Libanon en Syrië gesproken wordt, is een taal van versiering. Alsof je er slingers mee ophangt, dingen inkleurt. Het is meanderend, verbloemend, zacht en poëtisch. Het Marokkaans- en Algerijns-Arabisch is juist heel direct en heeft harde klanken. Vraag je een Marokkaan om het Egyptisch-Arabisch te omschrijven, dan zou hij zeggen: ‘Verwend.’”

En hoe verhoudt dat zich tot het Nederlands?
Hij gebaart naar buiten: “In het Nederlands zeg je: ‘Wat een kutweer.’ In het Egyptisch-Arabisch wordt dat: ‘Is dit dan wat kou is?’ Daarom is Arabische poëzie ook zo geweldig, zo gelaagd en beweeglijk. Maar het is te groot voor mij. Ik ben er niet mee opgegroeid en heb niet de kunde om het me zo eigen te maken als het Nederlands.”

“Nederlands is heel productief als taal. In het alledaagse gebruik probeer je met weinig woorden veel te zeggen. Als je een taal zo beperkt gebruikt en daar toch poëzie van kunt maken, vind ik dat heel bijzonder. Daarvoor moet je echt je voelsprieten uitsteken en op zoek gaan naar de bochten in de taal. Ik lees daarom ook alleen Nederlandse poëzie, het liefst van tijdgenoten: Dean Bowen, Pelumi Adejumo, Martijn Teerlinck en Radna Fabias zijn allemaal inspiratiebronnen. Zij gebruiken ook een bepaalde vrijheid in de taal. Ze verzinnen talen, gebruiken woorden uit andere talen en laten vaak interpunctie achterwege. De keuzes die zij maken in de taal, zijn op zichzelf al poëzie. Ik hou ervan als taal niet alleen een middel is, maar ook een personage wordt in de poëzie.”

Benzokarim: “Het Egyptisch-Arabisch is een taal van versiering.”

In je debuutbundel El Ghorba (2022) staan gesprekken met je vader en de rouw om je overleden moeder centraal.
“El Ghorba was een heel persoonlijk debuut. Daardoor voelden mensen de ruimte om vragen te stellen als: ‘Hoe heet je moeder?’ Wat op zich geen rare vraag is, maar die me wel kon overvallen als ik het podium af stapte na een optreden. Ik vroeg me af hoezeer mijn moeder nog van mij was als ik poëzie over haar schreef. Ik dacht dat ik na El Ghorba nooit meer over haar zou schrijven; het was mooi geweest. Ik was bang dat ik haar kwijtraakte.”

En toen verscheen vorig jaar Ons gaan allemaal, over eenzaamheid, isolatie en rouw, met weer een aantal prachtige gedichten over je moeder.
“Ik denk dat als ik een liefdesbundel had geschreven, ze daar ook een rol in had gespeeld. El Ghorba maakte ik met mijn vader; hij schreef bij ieder hoofdstuk een introductie in het Arabisch. Het voelt alsof ik Ons gaan allemaal – en dit klinkt misschien heel spiritueel – met mijn moeder schreef, alsof ze bij me was. De bundels zijn uitersten van elkaar, maar ze zijn ook verbonden. El Ghorba heeft een donkere, zwarte kaft en verscheen op de sterfdag van mijn moeder; Ons gaan allemaal is licht en wit en verscheen op de verjaardag van mijn moeder. Ik hou heel erg van die symboliek. Maar ik wil geen dichter zijn die alleen maar over rouw schrijft. Ik heb nu dus wel het geluk dat ik stadsdichter van Rotterdam ben en dus poëzie over de stad moet schrijven.”

Waar hij ook over dicht, Benzokarim daagt zichzelf graag uit. Zo mag hij van zichzelf als stadsdichter niet de woorden stad of Rotterdam gebruiken. “Ik wil de stad beschrijven zonder die te benoemen, omdat die altijd aanwezig is. Zo schrijf ik in plaats van deze stad weleens deze plek. Dat voelt zoveel dichterbij, omdat deze plek voor mij vanzelfsprekend Rotterdam is. Ook gebruik ik straat en buurt in plaats van stad. Die hebben voor mij veel meer betekenis, omdat ze zo tastbaar zijn.”

Ook voor zijn tweede bundel legde Benzokarim zichzelf verboden woorden op. “In Ons gaan allemaal komen leven, dood, eenzaamheid en alleen zijn niet voor, terwijl de bundel daar wel over gaat. Die woorden voelen te groot. Ik ging juist heel erg op zoek naar de details ervan. Eigenlijk had ik de hele bundel nodig om één woord te vangen: isolatie.”

Afrikaaps

Voor Ons gaan allemaal reisde Benzokarim naar Kaapstad om zich te verdiepen in de Afrikaapse taal. Zijn gedichten schreef hij daarna in een mix van Nederlands, Engels, Afrikaans en Arabisch. Van al die talen bouwde hij een geheel nieuwe taal, compleet met eigen grammatica en zinsopbouw, door woorden weg te laten, werkwoorden anders te vervoegen en metaforen uit andere talen te gebruiken. Bijvoorbeeld in het gedicht Alle vleugels: “Wollahi bro, op alles wat ik niet bezit / ze doen alsof ik hier een schoolplein is / alsof met hun geknikkerd / alsof met hun geskelterd / en ik soms gewoon doe mee / gewoon alsof ik in arm te vang”.

Benzokarim: “Ik had niet genoeg aan één taal of één structuur, maar had al die middelen nodig om alle aspecten van mijn rouw en isolatie te vangen. Het Afrikaaps hielp me daarbij; ik vind dat een heel krachtige taal, het komt bij mij heel direct binnen.”

“Ik vroeg de dichter Erik Jan Harmens of hij de taalredactie wilde doen. Hij schreef ooit een gedicht dat alleen maar uit h’s bestaat, dus daar had ik wel een goeie aan! Maar het redigeren viel hem zwaar. ‘Wat je doet, is heel apart’, zei hij. ‘Soms denk ik: wauw, dit klopt helemaal, maar soms ook: what the fuck staat hier?!’ Ik denk dat dat tekenend is voor deze bundel. ‘Dit is geen echte poëzie’, heb ik ook weleens over me heen gekregen.”

In mijn zak

ik haat dichters drinken
mij aankijken alsof ik minst bruikbaar ben
heb ik mijn kunstje gedaan
ik stuc een kamer zo

soms ik denk
als die kraai vliegt
ik zal in weinig ruimtes passen

alsof poëzie is van hun ancestors
zij doen kijken alsof het een drogisterij
zij erven

alsof het een boerderij
die zij erven

ik pak mijn krullen en ik krab
ik zoek de parkeerkaart tussen de muntjes in mijn zak

Uit de bundel Ons gaan allemaal (2025)

Ons gaan allemaal is een gelauwerde bundel: je won er niet alleen de Jan Campert-prijs voor de poëzie mee, maar ook de Granate Prijs voor de meest betekenisvolle titel.
“De titel komt uit het gedicht Lost in translation, dat ik speciaal voor mijn broertje schreef. Het is een mix van Nederlands en Afrikaans. Je kan het lezen als: we gaan allemaal dood, maar het is veel gelaagder. Het gaat mij vooral om het woordje ons, om het collectieve in de eenzaamheid.”

Je reisde ook naar Zuid-Afrika om een taal te vinden voor gevoelens van eenzaamheid en isolatie, die je daar bewust opzocht. Welke uitwerking had dat op je?
“Dat was mentaal wel zwaar, wekenlang in m’n eentje. Ik weet niet of ik dat nog een keer zou doen. Ik werd er ook nog ziek – griep. Ik zat in een kleine studio en ging wel naar buiten om te wandelen en vrienden te bezoeken, maar ik zat op een plek die ’s nachts onveilig was, waardoor er dan niemand op straat was. De avonden bracht ik altijd in mijn eentje door. Ik voelde me heel erg geïsoleerd. Op een gegeven moment vroeg ik me af: voel ik mij nu eenzaam omdat ik over eenzaamheid schrijf, of schrijf ik over eenzaamheid omdat ik me eenzaam voel? Ik kan heel goed alleen zijn, maar dit was te lang.”

Benzokarim: “Om te schrijven heb ik een mix nodig van noodzaak, melancholie en passie.”

Het leverde wel een prijswinnende bundel op, vol gedichten ontdaan van opsmuk, die gevoelens oproepen van er niet bij horen en melancholie. Vooral het melancholische komt binnen.
“Voor mij is melancholie een fijn soort verdriet. Ik kan me baden in missen. Ik krijg er een fijn gevoel van, maar niet per se blijdschap of vreugde. In een interview zei de geweldige Vlaamse dichter Peter Verhelst ooit: ‘Ik heb een talent voor verdriet.’ Toen dacht ik: misschien heb ik wel een talent voor melancholie.”

“Ik heb een specifiek gevoel nodig om te schrijven, een mix van noodzaak, melancholie en passie. Dat gevoel is er niet altijd; soms duurt het maanden. Dan fake ik het en blijf stug doorschrijven. Jörgen “UNOM” Gario, een goede vriend van me en ook dichter, zei: ‘Als je een writer’s block hebt, ben je aan het creëren; als je schrijft, ben je aan het uitvoeren.’”

“Aan Ons gaan allemaal heb ik drie jaar intensief gewerkt. De taal, alles moest kloppen, ook de volgorde van de gedichten. Ik kan heel erg obsessen. Ja, dan ben ik wel een nerd! In die bundel zit alles wat ik had, ik heb alles gegeven en daarna was het op. Ik was toen net stadsdichter, dat maakte de eerste maanden wel spannend. Waar ben ik aan begonnen, dacht ik vaak. Maar stadsgedichten hebben een andere energie, die kwamen wel. Mijn eerste vrije gedicht, dát liet dik negen maanden op zich wachten.” <<