
Is de hond aan de lijn ‘te houden’?
Taalwetenschapper Ronny Boogaart over taal in het wild
Taalwetenschapper Ronny Boogaart staat stil bij de bordjes waar de meeste mensen aan voorbijlopen. Op vakantie spotte hij een opvallende Duitse grammaticale constructie.
Omdat er overal in de bewoonde wereld bordjes zijn, heb ik nooit vakantie. Vaak vertelt een bordje in een andere taal je namelijk ook iets over het Nederlands. Op vakantie in Duitsland heb ik lang nagedacht over de tekst: “Hunde sind an der Leine zu führen!”

Dat kun je in het Nederlands niet zo zeggen. Dat zie je als je op Amazon zo’n Duits bordje wilt bestellen, waar de automatische vertaling naar het Nederlands ervan maakt: “Honden zijn aan de lijn te leiden!” Niet alleen gebruiken wij voor deze activiteit het werkwoord houden in plaats van leiden, maar de combinatie van het werkwoord zijn met te en de infinitief betekent hier meestal ook iets anders dan in Duitsland.
Moeten of kunnen?
Zowel in het Duits als in het Nederlands druk je met zijn + te + infinitief altijd iets ‘modaals’ uit: het gaat niet om hoe de dingen zijn, maar om hoe ze moeten of kunnen zijn. In het Duits kun je die ‘modale infinitief’ gebruiken om een verplichting uit te drukken; het bordje betekent natuurlijk dat honden aan de lijn gehouden moeten worden. In het Nederlands drukt precies dezelfde constructie eerder ‘kunnen’ uit dan ‘moeten’. Dat is te begrijpen betekent niet dat je iets moet begrijpen, maar dat je het kunt begrijpen, dus dat het ‘begrijpelijk’ is. Een boek dat niet te lezen is, mág je best lezen, maar is niet goed ‘leesbaar’. Dirkie is aan de lijn te houden betekent dat hij aan de lijn gehouden kán worden.
In België heb je vaker die ‘moeten’-lezing dan in Nederland. Je ziet dat het duidelijkst bij het werkwoord betalen. Als je zegt dat een museum te betalen is, zal een Vlaming dat vooral interpreteren als een neutrale mededeling dat je ervoor moet betalen. Voor een Nederlander ligt de nadruk dan juist op de prijs – die kún je betalen, dus die is laag.
De rode fiets is rood
Er gebeurt iets opmerkelijks in constructies als het te lezen boek, de te bestuderen stof en de te kloppen tegenstander, waarbij je de modale infinitief bijvoeglijk gebruikt. Dan krijg je namelijk wel ineens de ‘moeten’-lezing: het gaat dan om een boek dat je moet lezen, om stof die je moet bestuderen en een tegenstander die je moet kloppen. Dat verschil is er bij gewone bijvoeglijke naamwoorden niet: een rode fiets is hetzelfde als een fiets die rood is, dus de rode fiets is rood is een overbodige mededeling, en wie zegt dat de rode fiets niet rood is spreekt zichzelf tegen. Maar omdat zo’n constructie de ene keer ‘moeten’ betekent en de andere keer ‘kunnen’, kun je best zeggen dat het te lezen boek niet te lezen is. Het is wel opgegeven als huiswerk, dus je moet het lezen, maar het is onleesbaar. En of de te kloppen tegenstander daadwerkelijk te kloppen is, moet je nog maar afwachten.
Overigens krijg je met het woordje niet ervoor wel weer de ‘kunnen’- betekenis: van de niet te kloppen tegenstander kun je niet winnen. Waarom dat zo is, is wat je noemt een lastig te beantwoorden vraag. <<
