Als een asielzoeker geen papieren heeft, onderzoekt de Nederlandse Immigratie- en Naturalisatiedienst soms aan de hand van iemands spraak of het herkomstverhaal aannemelijk is. Hoe verloopt zo’n taalanalyse precies? En is de methode betrouwbaar?

“Welke vakken had je op school?”, vraagt een zachte stem in het Engels. Een man antwoordt, ook in het Engels maar met een duidelijk accent: “Engels, religie, wiskunde.” Het woord voor wiskunde, mathematics, spreekt hij uit als ‘matemasis’, zonder het ks-geluid aan het einde. Wat zegt dat over waar en hoe de man Engels heeft leren spreken? Is het aannemelijk dat hij uit Sierra Leone komt, zoals hij beweert, en waar mensen een specifiek soort Engels spreken?

Met vragen zoals hierboven houdt Sjef van Lier, taalkundige bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) zich dagelijks bezig. In diens kantoor, op de 29ste verdieping van een imposant ministeriegebouw in Den Haag, vertelt Van Lier over de procedure. Het begint met een asielaanvraag van iemand die geen documenten heeft die diens herkomst kunnen aantonen, zoals een betrouwbaar paspoort of een geboortecertificaat. Zo’n dossier kan bij Van Lier belanden, die gaat kijken of het taalgebruik van de persoon de opgegeven herkomst aannemelijk kan maken.

De taalanalyses bij de IND bestaan nu ruim 25 jaar, maar met taal de herkomst van iemand controleren gebeurt al veel langer. Van Lier vertelt: “In het gebied dat nu Libië heet, werd in het oosten anders gesproken dan in het westen, zoals het Nederlands in Vlaanderen ook verschilt van dat in Nederland. Als je van oost naar west wilde, moest je met een poortwachter praten, en die zei dan: je zégt wel dat je uit het westen komt, maar ik hoor aan je spraak dat dat niet klopt, dus je mag er niet in.”

Onveilig

Soms twijfelt de IND aan het herkomstverhaal van asielzoekers. Het kan namelijk voordelig zijn om te zeggen dat je uit een gebied komt dat als onveilig te boek staat: dan maak je meer kans op een verblijfsvergunning. De IND heeft drie taalkundigen in dienst, die dan met een taalanalyse proberen vast te stellen hoe aannemelijk het is dat de aanvrager inderdaad uit de veronderstelde regio komt.

De analyse begint met een gesprek tussen drie personen: de asielzoeker, een tolk en een IND-ambtenaar. Die laatste vraagt in het interview via de tolk naar alledaagse zaken: Hoe zag je woonplaats eruit? Wat voor gebouwen stonden er? Ging je naar school, en wat leerde je daar?

Het gesprek duurt zo’n vijftig minuten en wordt opgenomen. Van Lier beluistert de opname, samen met een moedertaalspreker van de gebruikte taal: de taalanalist. “Ik bevraag de analist”, legt Van Lier uit. “Wat hoor je? Je vindt dat woord in de opname ongebruikelijk; hoe zou jij het dan zeggen? Je denkt dat deze persoon uit dat gebied komt; waar hoor je dat aan?”

Zachte g

Per relevante taal werkt Van Lier met een of meer taalanalisten. Die komen zelf uit het bewuste gebied, en kennen de regionale taalverschillen dus goed. Ze mogen buiten de analyse niet betrokken zijn bij de zaak, en blijven anoniem, zodat ze objectief en onafhankelijk kunnen luisteren. Als er voor een bepaalde taal of een specifiek dialect geen geschikte moedertaalspreker beschikbaar is, wordt er geen analyse verricht. Dat geldt ook als uit bronnen, zoals woordenboeken, schoolboeken en grammatica’s, blijkt dat er geen relevante en stabiele taalverschillen zijn in het bewuste gebied.

De geraadpleegde moedertaalsprekers hoeven geen taalkundige opleiding te hebben – volgens Van Lier kun je ook zonder academische studie een goed beeld krijgen. “Als Nederlands je moedertaal is en je hoort mij vijf minuten praten, heb je echt wel een idee waar ik vandaan kom. Ik heb een zachte g, dus als ik beweer dat ik uit Groningen kom, dan heb je een argument om daaraan te twijfelen. Daarvoor hoef je geen neerlandicus te zijn.” Bij subtielere verschillen ligt dat anders: niet iedere Nederlander hoort het verschil tussen Eindhovens en Tilburgs. Zoiets wordt dan ook niet gevraagd van de analist: het gaat om grote verschillen, niet om nuances.

Honderd woorden

Niet élke moedertaalspreker kan dit werk doen, zegt Van Lier: “Een oordeel geven kan iedereen, maar de onderbouwing is lastiger. Wat zijn dan die woorden of constructies die je hoort en die niet passen, of juist wél?” Tijdens de selectieprocedure maken taalanalisten proefanalyses waarin ze talen en dialecten beargumenteerd in de goede regio moeten thuisbrengen. Ook bij een ervaren taalanalist laat Van Lier de opname soms nog door een andere moedertaalspreker beoordelen. Als blijkt dat een taalanalist fouten maakt, wordt die niet teruggevraagd.

De opmerkingen van de taalanalist worden bovendien altijd door een IND-taalkundige, die wél een relevant universitair diploma heeft, aan beschikbare bronnen getoetst, zegt Van Lier. Alleen als de literatuur de argumenten bevestigt, concludeert de taalkundige of de gestelde herkomst aannemelijk is. Daarbij is een enkel woord niet genoeg: “Als iemand drie keer ‘amai’ zegt, is diegene nog geen Belg. Het liefst verzamel ik wel honderd woorden, uitspraakkenmerken en grammaticale voorbeelden, om voldoende zekerheid te krijgen.” De beste voorbeelden neemt Van Lier op in diens eindrapport.

25 jaar Vreemdelingenwet

Het rapport gaat naar een volgende IND-medewerker, die een objectief besluit neemt over de aanvraag. Deze medewerker weegt van alles mee: wat de asielzoeker verteld heeft in het interview over diens herkomst en de reden om te vluchten, eventuele documenten die het verhaal ondersteunen, en dus de taalanalyse, als die gedaan is. In België en veel andere landen bestaat de taalanalyse niet – daar moet een ambtenaar zelf de geloofwaardigheid beoordelen van het verhaal van de asielzoeker, inclusief de herkomst. Die geloofwaardigheidstoets is behoorlijk lastig als de communicatie via een tolk moet verlopen.

Precies 25 jaar geleden, in 2001, werd in Nederland de Vreemdelingenwet ingevoerd, met als doel de asielprocedure efficiënter te laten verlopen en het aantal aanvragen terug te dringen. Sindsdien zijn er tienduizenden taalanalyses uitgevoerd. Nadat veel Syriërs in 2015 de oorlog in hun land moesten ontvluchten, raakte de IND overbelast. Als oplossing werd de taalindicatie ingevoerd: een verkorte analyse op basis van een opname van vijf minuten, die wordt gemaakt tijdens een gesprek dat toch al plaatsvindt. Bij meer dan 80% van de taalindicaties wordt het aannemelijk geacht dat de vluchteling uit het gebied komt dat op de aanvraag staat. In de overige gevallen volgt nog een uitgebreide taalanalyse: honderden per jaar, schat Van Lier in.

Zeventig gebouwen

“Where were you born?”, vraagt de tolk. De asielzoeker heeft verteld dat hij uit Soedan komt en Engels als eerste taal spreekt, en een paar woorden in een lokale taal. De tolk vraagt hoe het landschap in zijn woonplaats eruitzag. “Full of grasses”, antwoordt hij. En hoeveel gebouwen waren er? “Seventy.” De antwoorden klinken aannemelijk, maar ook kort en oppervlakkig. Zou een moedertaalspreker geen langere zinnen vormen? Of is de man gewoon nerveus? En waarom spreekt hij op de opname geen Soedanees Arabisch?

Al zo lang als de IND taalanalyses uitvoert, bestaat er kritiek. Een van de critici is arabist Joachim Detailleur, gespecialiseerd in Soedan en de Hoorn van Afrika, oftewel de regio waarin Ethiopië, Somalië, Eritrea en Djibouti vallen. Hij heeft grote moeite met de inzet van ongediplomeerde moedertaalsprekers als taalanalist. “Een internationale groep taalwetenschappers heeft in 2004 richtlijnen opgesteld waar taalanalyses minimaal aan moeten voldoen. Een daarvan is dat taalanalisten een academische opleiding en up-to-date expertise in de betrokken talen en dialecten moeten hebben.” De IND vindt het juist cruciaal om de kennis van de taalkundige te combineren met de inbreng van moedertaalsprekers.

Babbelen over voetbal

Dat taalanalisten gecontroleerd worden door een taalkundige, stelt Detailleur niet gerust. Hij vreest dat moedertaalsprekers te weinig oog hebben voor taalaanpassing: “In de gesprekssituatie bestaat er een reëel risico dat de geïnterviewde bewust of onbewust diens taalgebruik gaat aanpassen aan dat van de tolk en naar een andere, prestigieuzere taalvariant overschakelt.” De spraak van de asielzoeker geeft in zo’n geval geen goed beeld van diens echte taalgebruik, vindt Detailleur, maar het is wel die spraak die beoordeeld wordt. “We hebben dus een taalkundige zonder kennis van de taal die een moedertaalspreker zonder taalkundige kennis hierin begeleidt. Dat wekt weinig vertrouwen.”

Van Lier ziet het probleem niet. Die kan zich voorstellen dat iemand anders dan gewoonlijk gaat praten tijdens het interview, ook omdat het zo’n spannende situatie is. “Maar iemand gaat van de zenuwen niet opeens vloeiend een taal spreken uit een gebied waarvan diegene zelf stelt dat die er nooit is geweest. Het gebeurt wel dat iemand even niet op woorden kan komen, maar dan geven we wat meer tijd. Dan gaan we even babbelen, over voetbal ofzo.”

Hokjesdenken

Taalwetenschapper Monika Schmid, hoogleraar aan de University of York, is gespecialiseerd in taal en migratie. Ze onderzoekt wat er gebeurt met de moedertaal van mensen die na migratie alleen nog een tweede taal spreken. Dat blijkt nogal te verschillen van persoon tot persoon: soms kan iemand diens moedertaal na jaren nog probleemloos spreken, bij anderen gaat de beheersing enorm achteruit. Schmid: “De IND gaat uit van het principe: als je het grootste deel van je leven in een bepaald gebied hebt doorgebracht, met name je jeugd, mag verwacht worden dat je ten minste één van de taalvarianten spreekt die in dit gebied gangbaar zijn. Uit onderzoeksgegevens blijkt dat dat niet voor iedereen geldt. Ik ken gevallen van sprekers die een taal verliezen, vooral jongere mensen die voor hun twaalfde zijn weggegaan.”

En dan spelen behalve herkomst ook nog andere factoren een rol in iemands taalgebruik. Zegt een zachte g nog iets over je woonplaats als je binnen Nederland bent verhuisd? Of als je door Maastrichtse ouders bent opgevoed in Leeuwarden? Detailleur heeft het in dit verband over “hokjesdenken”, waardoor er ideeën gaan heersen “over wat men in bepaalde regio’s hoort te spreken.” Het ligt allemaal niet zo zwart-wit volgens hem: “We staan er vaak niet bij stil, maar eenieder van ons heeft een scala aan taalvarianten tot onze beschikking. Hoe we spreken, wordt beïnvloed door een hele reeks aan factoren, zoals opvoeding, onderwijs, taalgevoel, maar ook de situatie waarin we iets zeggen. Denk aan een gesprek onder vrienden, een tête-à-tête met je geliefde, een sollicitatiegesprek of, voor de asielzoeker, een taalanalyse-interview. Taal en de wijze waarop eenieder van ons spreekt, vormen dan ook een complex gegeven.”

Volgens de IND worden al die factoren meegenomen in de taalanalyse. In het interview wordt de asielzoeker expliciet gevraagd naar waar die gewoond heeft en hoelang, naar de afkomst van ouders, welke dialecten zij spreken – naar alles wat relevant kan zijn. Er is dus alle gelegenheid om toe te lichten waarom iemand op de opname spreekt zoals die spreekt. Bovendien wordt het doel van de opname nadrukkelijk uitgelegd aan het begin van de opname, en weet de asielzoeker dus dat dat het belangrijk is om alle relevante informatie te delen.

Clans

Detailleur staat asieladvocaten en ngo’s in asielzaken bij, en krijgt daarvoor IND-rapporten onder ogen. Die vindt hij erg summier: “Ze bestaan uit een voorblad met de conclusie, informatie over de asielzoeker, een paar voorbeelden van klanken, woorden, grammatica, en een of twee verwijzingen naar bronnen.” Bovendien zijn er niet altijd geschikte bronnen, stelt hij, omdat de taalsituatie in conflictgebieden zo veranderlijk is. “In Somalië wonen bijvoorbeeld allerlei clans met hun eigen dialecten. Het meest recente veldwerkonderzoek daarover stamt uit 1981, maar sinds 1988 wordt er gevochten, met interne volksverhuizingen tot gevolg. Dan kun je niet stellig zeggen: wie uit Zuid-Somalië komt, hoort zo te spreken.”

Dit betwist Van Lier: die wijst op wetenschappelijke bronnen van veel recenter datum. Bovendien, stelt die: “Natuurlijk verandert er veel in de herkomstlanden, maar onze taalanalisten zijn ook recent hierheen gekomen en kennen de situatie ter plekke.” Taalanalisten gaan soms nog terug naar het bewuste gebied. En zó snel veranderen de lokale talen en dialecten ook weer niet, stelt Van Lier: “Over Syrië hebben we bijvoorbeeld een spraakatlas uit 2008: 400 pagina’s met ‘welk woord wordt waar gebruikt’. Als dat extreem veranderd zou zijn, dan zouden we geen sprekers meer vinden die dat herkennen. Maar onze taalanalisten bevestigen die bron keer op keer.”

Contra-expertises

Als de IND-taalkundige de geclaimde herkomst niet aannemelijk vindt, kan een contra-expertise gedaan worden: een second opinion van een onafhankelijke deskundige. Hiervoor is een vergoeding beschikbaar, maar de asielzoeker moet zelf een expert regelen. Het is tenslotte aan de asielzoeker zelf om diens herkomst aan te tonen – als dat met de IND-analyse niet gelukt is, moet diegene zelf een alternatief organiseren.

Jarenlang voerde vooral De Taalstudio die contra-expertises uit, een bedrijf met ervaren experts. In 2016 stopte de organisatie daarmee, volgens een bericht op de toenmalige website vanwege een gebrek aan vertrouwen in de IND-aanpak. Je kunt van een asielzoeker niet verwachten dat die in een stressvolle situatie netjes het dialect spreekt dat volgens een mogelijk verouderde bron in een oorlogsgebied werd gesproken, vonden de experts van het bedrijf. Zeker niet na een jarenlange, traumatiserende vluchtreis. Dat maakte de taalanalyse zoals de IND die doet volgens hen tot een té onbetrouwbare methode. Omdat die methode niet veranderde en protest ook langs juridische weg niks uithaalde, vond De Taalstudio het uiteindelijk niet meer zinvol om door te gaan met de contra-expertises.

DNA-onderzoek

Ook taalwetenschapper Schmid heeft weinig vertrouwen in de IND-methode. Ze vertelt: “In de jaren negentig wilde de immigratiedienst van het Verenigd Koninkrijk DNA-onderzoek doen om te bepalen waar immigranten vandaan kwamen. Genetici zeiden toen: dat kan niet op die manier, dat is wetenschappelijk onmogelijk. Die praktijk is toen gestopt. In die tijd verschenen ook de eerste taalanalyses in Europese landen, en taalkundigen waren even negatief. Maar ze zijn blijven bestaan. Dat leidde tot die richtlijnen in 2004. Taalwetenschappers zeiden: laten we dan tenminste zorgen dat het fatsoenlijk gebeurt.” De IND wijst erop dat juist de richtlijnen weer intensief bekritiseerd zijn door internationale taaldeskundigen. Daarom volgt de IND de actuele standaard in de forensische taalkunde. Dat is het vakgebied waarin experts in strafzaken aan de hand van taal bijvoorbeeld verdachten in getapte telefoongesprekken identificeert. Van zo’n spraakopname wordt dan onder andere bekeken wat de uitspraakkenmerken zeggen over de spreker. In die discipline is er een standaard over wat je wel of niet kunt concluderen, en dat is de standaard die de IND volgt.

Van Lier herkent de kritiek dan ook niet. “Wij verwachten dat iemand de taalvarianten spreekt die gangbaar zijn in het gestelde herkomstgebied, en dat een getraind iemand uit hetzelfde gebied dat kan herkennen. We houden rekening met de invloed van het vluchten op het taalgebruik van de asielzoeker. Als dat allemaal niet zo was, dan zouden we geen onderbouwd oordeel kunnen geven. Dan zou ik hier misschien niet werken.” <<

Om privacy-redenen konden we niet aanwezig zijn bij een taalanalyse-interview. De fragmenten in dit stuk zijn geanonimiseerd ter beschikking gesteld door de IND.