Verschillende talen blijven spreken en toch goed kunnen communiceren? Met een beetje training kan dat, weten ze in Utrecht. Hoe werkt die zogeheten ‘luistertaal’?

“We moesten snel schakelen toen de agenda van de vergadering veranderde.” Docent Max van Amstel oefent een typische vergaderzin met de deelnemers van de online cursus Receptief Nederlands als vergadertaal aan de Universiteit Utrecht. Het is vrijdagmiddag, het weekend lonkt, maar enkele niet-Nederlandstalige docenten van de universiteit leren Nederlands in de vergadercontext. Geheel vrijwillig. Op het programma staat: stof herhalen van de vorige les, oefenen met nieuwe zinnen en luisteren naar filmpjes uit de Tweede Kamer.

“We need to quickly change directions when the agenda is changing unexpectedly”, vertaalt de Roemeense Roxana, die deelneemt aan de cursus. Het lijkt alsof haar zin eindigt met een vraagteken.

“Heel goed”, zegt Van Amstel. “In een auto kun je schakelen. Ik schakel van een naar twee en ik schakel weer terug, maar figuratively it means to change directions, like you said.”

Nu een uitdrukking: “Hij komt als voorzitter niet goed uit de verf. As a chair, he does not come out of the paint?”, lacht Van Amstel. De Griekse Kostas doet een poging en ook hij twijfelt: “He doesn’t meet the standards or he’s not good enough?”

Dat laatste beaamt Van Amstel. “Maybe you have the intention of writing a good text, but when you read it, you think: mijn ideeën komen niet goed uit de verf. You mean: it didn’t turn out that well. Makes sense, want als verf droogt, kan de kleur anders zijn dan je gedacht had.” Engelse en Nederlandse zinnen vlechten samen in een antwoord dat Kostas begrijpt.

Onderwerpen die ‘geen hout snijden’, ‘kunstjes onder de knie krijgen’, woorden als poldermodel en verschraling: de Nederlandse taal en dan ook nog in het jargon van vergadertaal vraagt veel van de cursisten. Precies daarom schakelt Van Amstel soms naar het Engels, een taal die alle deelnemers goed verstaan. De betekenis beklijft beter als hij het Engels erbij pakt om het Nederlandse begrip uit te leggen.

Duitse toeristen

Luistertaal, waar deze cursus over gaat, is misschien wel van alle tijden. Al in de Middeleeuwen communiceerden handelaren in hun eigen taal en begrepen ze die van de ander, alleen noemden we het destijds nog geen luistertaal. Jan ten Thije, professor emeritus Interculturele Communicatie, introduceerde de term in Nederland. “Luistertaal is een vorm van meertaligheid: de gesprekspartners spreken allebei een andere taal, maar ze verstaan elkaar wel omdat ze over voldoende luister- en leesvaardigheden van de taal van de ander beschikken.” Dat kan je moedertaal zijn, een taal die je veel gebruikt voor je werk, zoals het Engels in de les van Van Amstel, of een andere taal die je begrijpt.

Het zaadje voor Ten Thijes interesse in het onderwerp, en de daaruit voortvloeiende wetenschappelijke onderzoeken, werd geplant tijdens een gesprek met zijn broer. Als arts kwam die veel in aanraking met Duitse toeristen, en hij had ontdekt dat de Duitsers hem ook begrepen als hij in het Nederlands reageerde. Begin 2000 ontdekte Ten Thije bovendien via een collega-hoogleraar Duits aan de Universiteit Utrecht dat hogere functionarissen uit de Euregio twee keer per jaar overleg hadden waarbij de Duitsers Duits spraken en de Nederlanders in hun eigen taal antwoordden: luistertaal dus. Aanleiding voor Ten Thije om daar een eerste onderzoek op te zetten. “Hoe werkt het als gesprekspartners allebei een andere taal spreken, maar elkaar wel verstaan omdat ze over genoeg luistervaardigheden van de andere taal beschikken? In dit geval goed: de Duitsers en de Nederlanders luisterden, begrepen elkaar en konden afspraken maken.”

In 2019 koos het college van bestuur van de Universiteit Utrecht voor een experiment met luistertaal aan de universiteit, en Ten Thije startte in dat kader een onderzoek met de vraag: hoe kunnen we meertaligheid faciliteren? De aanleiding: voor het eerst waren er twee internationale, niet-Nederlandssprekende studenten democratisch gekozen in de universiteitsraad. Promovenda Kimberly Naber sloot zich als junior onderzoeker aan bij het onderzoeksteam: “Deze twee studenten hadden de Indiase en de Portugese nationaliteit en spraken niet tot nauwelijks Nederlands. Hoe moest dat tijdens de vergaderingen? Want de taal in de universiteitsraad en op de universiteit op bestuursniveau is Nederlands. Helemaal overschakelen op Engels kon niet zomaar. Een tolk inhuren? Maar kon die wel overal bij zijn? Gebruikmaken van AI kon ook niet, want dat was nog niet zo ver ontwikkeld. En in een korte periode Nederlands leren op vergadertaalniveau is niet mogelijk.”

Op straat, in een vergadersetting, in de klas: luistertaal gebruiken we ongemerkt al op veel plekken.

Groen licht geven

Vandaar dat de genoemde cursus Receptief Nederlands als vergadertaal werd opgezet, waarbij goed werd nagedacht over de vraag: wat hebben deze cursisten precies nodig? Nederlands leren in een reguliere cursus gaat over basale onderwerpen als brood halen of een sollicitatiebrief schrijven, maar daar heb je in de gemiddelde vergadering weinig aan. Naber: “We hebben agenda’s, beleidsdocumenten en transcripties van vergaderingen geanalyseerd, en daaruit de meestgebruikte zinnen en woorden verzameld. Die werden gebruikt als input voor de cursus, samen met jargon, idiomen en gezegdes die in de vergadercontext vaker terugkwamen. Denk aan kantoortaal als groen licht geven of er een plasje over doen, en termen als instemmen, streefcijfers en intentieverklaring. En de afspraak in vergaderingen was: als je in het Nederlands een figuurlijke uitdrukking gebruikt, licht die dan even toe, want al die idiomen zijn lastig voor wie net Nederlands spreekt.”

Ook werden er zogeheten keywords bepaald. “In de universiteitsraad wordt bijvoorbeeld de term college van bestuur gebruikt. Dit zou je kunnen vertalen naar iets als board of directors, executive board of board of governors. Maar bij zo’n grote complexe organisatie als de Universiteit Utrecht zou je het ook kunnen verwarren met een ander bestuursorgaan, dus kozen we in de vergaderingen zowel in het Engels als in het Nederlands voor de term CvB.” Verder kwamen ze overeen: we spreken en schrijven in het Nederlands, terwijl de anderstalige international dit in het Engels mag doen.

Minder spreekangst

Terug naar het nu, want inmiddels heeft de onderzoeksgroep (nu onder leiding van Rick de Graaff, hoogleraar Didactiek van de Vreemde Talen en Tweetalig Onderwijs) geconstateerd dat luistertaal in vergaderingen goed kan werken. Als je je in een taal kunt uitdrukken waarin je je comfortabel voelt, neem je vaker het woord, kun je de juiste nuances leggen en deel je meer ideeën en inzichten. En dat geldt niet alleen voor in de vergaderkamer. In de bouw, de gezondheidszorg en het onderwijs werkt luistertaal ook, ontdekte Ten Thije in 2020 in een onderzoek in opdracht van de Taalunie. “Mensen voelen zich veiliger als ze een taal mogen spreken die voor hen comfortabeler voelt, en dat vermindert spreekangst.” Nog meer bijvangst: je leert het Nederlands sneller door te luisteren en te lezen.

Ter discussie

We leven in een samenleving waarin meertaligheid steeds meer de norm wordt. Ook in het onderwijs krijgen we steeds meer te maken met kinderen of jongeren die van huis uit een andere taal spreken dan Nederlands, meldde de Nederlandse Onderwijsraad in september 2025. Hun advies: benut deze talige diversiteit beter. Andere thuistalen kunnen leerlingen helpen bij het leren van het Nederlands.

In plaats van alles in één en dezelfde taal te willen doen, kan luistertaal een (tussen)oplossing bieden. Binnen de gedeelde talen die je tot je beschikking hebt, blijf je dan het dichtst bij wat jou het beste ligt. Op de universiteit gaat Ten Thije het liefst voor de combinatie van Nederlands en Engels. Ook docent Van Amstel hekelt het idee van een samenleving waarin de taal die we spreken ter discussie staat: “Waarom zouden we allemaal dezelfde taal moeten spreken als je elkaar wel kunt verstaan? Als je in een context bent waarbij mensen meerdere talen spreken, stel je dan flexibel op. Hebben we een tolk nodig,  kunnen we het met luistertaal doen, welke taal kiezen we?”

Op straat, in een vergadersetting, in de klas: luistertaal gebruiken we ongemerkt al op veel plekken. “Het is goed als we luistertaal gaan zien als een van de manieren om te communiceren”, zegt Naber. “Goed om te weten: luistertaal gaat vaak organisch samen met andere vormen van meertaligheid, zoals het gebruik van een tolk of even overschakelen op een woord of zin in een nog weer andere taal.”

Als je oplet, kom je luistertaal vanzelf tegen. Zoals bij een basisschool, niet ver van de universiteit in Utrecht, waar een Turkse vader op het schoolplein staat. Hij is net in Nederland en leert Nederlands, maar de woorden willen maar niet wonen in zijn hoofd. Dat denkt hij in het Turks, maar het zeggen in het Nederlands lukt niet. Dan komt zijn dochter buiten; ze wil afspreken met haar vriendin.

“Mag het bij ons?”, vraagt het meisje aan haar vader in het Nederlands.

“Goed”, antwoordt hij in het Turks, en er volgen nog wat Turkse woorden.

Dan vraagt het meisje aan haar vriendin: “Mijn vader vraagt tot hoe laat?”

“Zes uur?” Lachend steekt de vader zijn duim op.

In hetzelfde schoolgebouw krijgen de kinderen van groep 8 overigens die dag Engelse les. De juf stelt vragen in het Engels en de kinderen antwoorden; soms schakelen ze even over op het Nederlands.

Hoelang duurt een woord?

Weer terug naar de universiteit, waar de Amerikaanse promovenda Madison Steele veel baat heeft gehad bij de vergadercursus Receptief Nederlands als vergadertaal die ze eerder volgde. “Omdat ik de taal begrijp, heb ik meer zelfvertrouwen om ook meer Nederlands te spreken.” Tijdens vergaderingen kiest ze er dan ook steeds vaker voor om in het Nederlands te praten. Ook de gezegdes krijgt ze beter ‘onder de knie’. “Als ik bijvoorbeeld iets over water hoor, of woorden als schepen of boten, dan weet ik: misschien is het een gezegde en dan bedoelen mijn collega’s het niet letterlijk.” Ook de lessen over klemtonen waren waardevol. “Hoe zegt iemand het? Hoelang duurt een woord? Zoals: ‘Ik ben het niiiet helemaal met je eens.’ Dan weet ik: er zit nog best veel twijfel. Een kwestie van goed luisteren dus.” <<