
Een aanspreekvorm die in het Nederlands nauwelijks gebruikt wordt, is springlevend in Friesland. Hoe zit dat? Gerbrich de Jong doet promotieonderzoek naar de gewoonte om anderen aan te spreken in de derde persoon.
Stel, iemand vraagt aan Cato: ‘Wil Cato nog een koekje?’ Heb je dan gelijk een beeld bij Cato? Wellicht zie je een peuter voor je. Of misschien denk je wel aan een hond. Maar of je ook een volwassen vrouw voor je kunt zien? Die kans is klein, want volwassen mensen worden eigenlijk nooit op die manier met hun voornaam aangesproken. Behalve … in Friesland.
Waarom doen Friezen dat? Daarvoor moeten we kijken naar de Friese aanspreekvormen jo (‘u’) en do (‘jij’). Jo, vergelijkbaar dus met het Standaardnederlandse u, voelt voor veel Friezen meestal te afstandelijk. Aan de andere kant is do in veel situaties net te amicaal; die vorm wordt nog informeler opgevat dan het Nederlandse jij. Veel Friestaligen leren dat do alleen bedoeld is voor iemand van dezelfde leeftijd of jonger. Wie ouder is – zelfs je eigen ouders – spreek je niet zo aan.
Iemand aanspreken in de derde persoon is dan een fijne tussenweg. Veel Friezen zien het als een respectvolle manier van aanspreken, zonder afstandelijk te worden. Kinderen spreken hun ouders bijvoorbeeld bijna allemaal aan met heit of mem: ‘Mem, wit mem wêr’t myn fytskaike is?’ (‘Mama, weet mama waar mijn fietssleutel is?’). Ook andere oudere familieleden, zoals grootouders, ooms en tantes, worden vaak in de derde persoon aangesproken.
Eeuwenlang
Zelf doe ik het ook: ik heb tegen mijn ouders en grootouders nog nooit do of jo gezegd. Aanspreken in de derde persoon is voor mij dus volkomen normaal, al doe ik het buiten de familie niet. Toch zijn er ook Friezen die bijvoorbeeld docenten en collega’s zo aanspreken. Als docent aan NHL Stenden Hogeschool in Leeuwarden hoor ik regelmatig verhalen van niet-Friestalige collega’s die het heel raar vinden als studenten dat doen. Een van de doelstellingen van mijn promotieonderzoek is dan ook dat lerarenopleidingen in Friesland hier meer kennis over hebben. Sinds 2023 kan ik me dankzij een NWO-promotiebeurs voor leraren verder in het fenomeen verdiepen.
Het eerste wat ik wilde weten, is wanneer deze gewoonte ontstaan is. Toen ik in de archieven dook, bleek dat het fenomeen een eeuwenlange geschiedenis heeft. Friese toneelteksten uit de zeventiende en achttiende eeuw laten zien dat de derde persoon eerst vooral gebruikt werd tegen kinderen, dieren en geliefden, naast do (‘jij’). In de negentiende eeuw verschoof het gebruik steeds meer naar oudere familieleden en hogergeplaatsen, naast jo (‘u’). In de twintigste eeuw werd de derde persoon de vaste aanspreek vorm voor kinderen tegenover hun ouders, zonder nog terug te vallen op do of jo: de aanspreekvorm kreeg toen zijn huidige vorm.
In andere talen
Aanspreken in de derde persoon is geen uniek Fries verschijnsel. Waarschijnlijk kwam het in het Fries terecht via het Nederlands, waar het fenomeen als beleefdheidsvorm al in de zestiende eeuw gebruikt werd. En wellicht was het weer in het Nederlands beland door invloeden uit het Duits, Frans of Zweeds.
Via het Nederlands kwam het waarschijnlijk ook in het Papiaments en Afrikaans terecht, waar de aanspreekvorm vandaag de dag nog steeds voorkomt. Maar ook in bijvoorbeeld het Portugees is het een bekend verschijnsel, waar het net als in het Fries een beleefde tussenoptie is die vooral gebruikt wordt in formele situaties (bij de dokter, bij de bank) en tegenover ouderen.
Volgende stap
Buitenshuis komt deze aanspreekvorm ook voor, en dan vaak met de voornaam: bijvoorbeeld tegenover oudere collega’s, buren of docenten. Maar ook met (functie)titels als dokter of dûmny (‘dominee’) hoor je het wel, al is het lang niet zo frequent als het gebruik in de familiesfeer of in het onderwijs.
Zolang iemands voornaam onbekend is, bijvoorbeeld bij docenten op de middelbare school, ligt jo het meest voor de hand. Maar zodra iemand zich bij de voornaam laat aanspreken, zoals bij docenten op de hogeschool, wordt jo te afstandelijk. Het aanspreken in de derde persoon is ook hier vaak een prettige volgende stap, omdat do door leeftijds- of statusverschil ongepast voelt. Kortom: het leren kennen van iemands voornaam kan dan het startsein zijn om van jo over te stappen op de derde persoon. Zelf krijg ik van mijn studenten ook weleens een vraag als: ‘Heeft Gerbrich de tentamens al nagekeken?’ Opvallend is dat niet alleen Friestaligen dit doen, maar dat sommige Nederlandstalige studenten de gewoonte overnemen, ook in mailtjes. Bijvoorbeeld, aan een collega: ‘Beste Mascha, wil Mascha mijn cijfer nog invoeren?’
Onbegrip
Sommige Friezen gebruiken deze vorm zowel in het Fries als in het Nederlands. Maar wie deze vorm buiten Friesland tegen niet-Friezen gebruikt, stuit al gauw op onbegrip en leert snel dat het toch beter is om u of jij te zeggen. Voor veel sprekers van het Standaardnederlands klinkt het namelijk ofwel kinderachtig, ofwel sterk formeel en beleefd – denk aan horeca-uitspraken als ‘Had meneer nog een kopje koffie gewild?’
Het fenomeen van aanspreken in de derde persoon kan dus niet bij iedereen op enthousiasme rekenen. Sommigen vinden het afstandelijk, ouderwets of zelfs wat kleinerend. Maar wie zich in Friesland bevindt en in de derde persoon wordt aangesproken, hoeft zich niet af te vragen of die in de maling wordt genomen. Integendeel: de kans is groter dat er sprake is van beleefdheid. <<
Op de hoogte blijven van het onderzoek? Laat het weten via gerbrich.dejong@ru.nl.
