Haar voorouders deden werk dat houvast bood – beroepen waarin taal geen grote rol speelde en die ze makkelijk over de grens konden beoefenen. Lin An Phoa koos het tegenovergestelde: “De Nederlandse taal is alles wat ik kan.”

In de Indische Buurt in Amsterdam, verscholen tussen woonhuizen met geveltuintjes, ligt Nowhere, een cultuurhuis voor jonge makers waar Lin An Phoa als programmamaker werkt. Naast de beschilderde voordeur hangt een kastje met gratis menstruatieproducten, volgeplakt met stickers met teksten als “Protect the dolls” en “Stop war, start bees”. Binnen nemen Lin An en ik plaats in de workshopruimte ‘Classroom’. Lin An, rond kijkend: “Dit lokaal doet me denken aan vroeger, toen ik in Rotterdam bij Jeugdtheater Hofplein zat. Daar had je ook van die ruimtes met hoge plafonds en veel licht; daar bruiste het ook van de creativiteit.” Die creatieve energie kan Lin An goed gebruiken, want de komende maanden opent ze de 43e Nacht van de Poëzie, presenteert ze het Taalfeest 2026 en verschijnt haar eerste dichtbundel.

Je agenda puilt uit; toch zit je erbij als de rust zelve.
“Mensen denken vaak dat ik kalm ben, maar van binnen kan ik ontploffen. Die uiterlijke schijn komt goed van pas bij mijn werk. Als ik iemand interview in een zaal met mensen kan ik soms denken: o shit, waar gaat dit heen? Maar dan weet ik dat het publiek denkt dat ik alles onder controle heb. Zo kan ik bezig zijn met de volgende vraag.”

Lin An Phoa

De levenswandel van Lin An Phoa (Rotterdam, 1995) is een samenspel tussen lichaam en geest. Tijdens tussenuren op het gymnasium danste ze op de theaterschool; in de pauze van de repetities maakte ze haar huiswerk. Ze studeerde taalwetenschap in Utrecht, maar miste de creatieve kant van taal. Die vond ze terug in haar werk als spokenwordartiest. “Voor mij komt alles samen in de combinatie van op een podium staan, je hele lichaam gebruiken en een verhaal vertellen.” Ze trad onder meer op tijdens het International Literature Festival Utrecht (ILFU), Down The Rabbit Hole en Brainwash Festival. Haar werk verscheen in De Revisor, de bloemlezing Stip op de horizon en de bundel Modelverhalen. Naast performer is Lin An dichter, moderator en programmamaker bij het spokenwordplatform Poetry Circle Nowhere. Op 27 november 2026 verschijnt haar dichtbundel Zalven.

Voel je stress rondom je aankomende bundel?
“Ja! Mijn basis ligt in spoken word en het performen van poëzie. Een bundel schrijven is helemaal nieuw voor mij; ik ben nog van alles aan het verkennen. De bundel gaat over de grenzen van selfcare. Vanuit mijn eigen lichaam bevraag ik de systemen die daarop drukken. Zo zeggen mensen dat ze sporten om gezond te blijven, maar zijn ze eigenlijk continu bezig om een dun, gespierd, jong en daarom geaccepteerd lichaam te hebben. Is dat nog gezond, of is dat een beklemmend en vaak onhaalbaar schoonheidsideaal? Ik wil mensen niet vertellen hoe ze moeten leven; poëzie hoeft gelukkig geen antwoorden te geven. Maar ik wil wel een vergrootglas leggen op en vraagtekens plaatsen bij de delen van het leven die wringen. En mensen terug in hun lichaam schrijven.”

Jij plaatst in jouw werk liever vraagtekens dan uitroeptekens?
“Vroeger plaatste ik uitroeptekens, met bozige gedichten over het patriarchaat en wat er verder allemaal niet goed gaat in de wereld. Nu werp ik vragen op waar ieder voor zichzelf mee verder kan: klopt hier iets niet? Wat is er aan de hand? Dat wil ik laten landen. En wel zo, dat mensen zich met hun lijf betrokken voelen bij het thema in plaats van met hun hoofd. Met poëzie kun je een gevoelswereld binnentreden met iets wat iemand probeert buiten te sluiten, of wat door de waan van de dag niet binnenkomt. Zo gaat de tekst ‘Wat we bewaren’, die ik voor de Museumvereniging voordroeg, over kolonialisme: ‘Wie noemen we oude meesters / Wie laten we nu aan het woord / Welke ruimte krijgen stemmen die te lang niet zijn gehoord’.”

Je bent je loopbaan niet begonnen als spokenwordartiest. Eerst ben je taalwetenschap gaan studeren. Waarom?
“Ik kom uit een medisch gezin; er was niet veel kunstzinnigheid bij ons thuis. Mijn vader is tandarts, mijn moeder doet onderzoek naar de bijwerkingen van medicijnen. Succes betekende voor hen een opleiding met toekomstperspectief. Ik hou van taal, en bij taalwetenschap leer je over hoe dat werkt in de hersenen, over computertaalkunde, enzovoort. Dat bood meer baankans dan een talenstudie.” Lin An lacht een beetje beschaamd. “Ja, het was wel een berekenende keus. Heel veilig.”

“Maar”, vervolgt ze, “ik vond mijn studie ook heel leuk en interessant. Ik hield me bijvoorbeeld bezig met hoe het brein van een kind werkt als het drie talen tegelijk moet leren. Ik leerde dat je moet uitkijken je eigen taal als ‘normaal’ te zien, en andere talen als spannend en exotisch. Ik vind het wel nog steeds interessant hoeveel variatie er tussen talen bestaat. We kunnen ons op zoveel manieren uitdrukken. Ik ging heel erg aan van dat soort dingen.”

Lin An Phoa: “Ik wil mensen terug in hun lichaam schrijven.”

En toch knaagde er iets.
“Ik had het gevoel dat het voor de wetenschap heel leuk was dat we iets aan het onderzoeken waren, maar of het nou zo nuttig was? Ik miste de maatschappelijke noodzaak.”

Toen Lin An als NT2-docent ging werken, vond ze die noodzaak. “Ik leerde mensen de taal van de plek waar ze noodgedwongen verblijven. Maar ik zag ook dat er op het gebied van meertaligheid en Nederlands als tweede taal grote vraagstukken zijn waar we de wetenschap hard voor nodig hebben. Bijvoorbeeld bij de kinderopvang. Bij gebrek aan kennis is daar vaak het beleid: alleen Nederlands spreken, want we zijn in Nederland. Maar kinderen leren een nieuwe taal beter wanneer hun thuistaal voldoende basis heeft waar ze op kunnen bouwen. Als ze alleen Nederlands mogen spreken, lijkt het alsof hun taal niet welkom is, en daardoor zijzelf ook niet. Het belang van het ontwikkelen van de eerste taal wordt erg onderschat, vooral als het niet-westerse talen zijn.”

Het gemis van een thuistaal raakte je ook persoonlijk. Je Chinese opa en oma kwamen in 1948 vanuit Indonesië naar Rotterdam en spraken Maleis.
“Ja, mijn vaders familie is Chinees-Indonesisch. Zijn ouders dachten dat het beter was als hun kinderen in Nederland alleen Nederlands spraken en zo Nederlands mogelijk opgroeiden. Dat is gelukt: onze familie is goed geïntegreerd en we vinden makkelijk onze weg. Maar zo Nederlands mogelijk worden is niet het hoogst haalbare; je wilt een andere volledigheid. Mijn vader heeft nooit Maleis geleerd. Dat is echt een gemis voor hem. Dat gun ik niemand. Want een taal vormt je identiteit.”

In 2007 ging het gezin Phoa voor het eerst naar Indonesië, nadat Lin An op de basisschool meerdere werkstukken over Indonesië had geschreven om haar vader ervan te overtuigen dat ze erheen moesten. “Er ging een wereld voor hem open. Hoewel hij er nog nooit was geweest, herkende hij de klanken, de geuren. En toen hij de gids met de chauffeur hoorde praten, kwamen er ook ineens woorden naar boven die hij ooit in de keuken van zijn ouders had opgevangen. Ze hadden het over bawang, Maleis voor ‘ui’. Mijn vader was zo trots dat hij dat woord kende. Hij wilde graag met de mensen praten om te laten zien: ik kom van hier. Maar hij kon het niet. Hij gaat binnenkort met pensioen en heeft dan misschien eindelijk de ruimte om Maleis te leren. Hij weet: dit is ook wie ik ben.”

Je worstelde zelf ook met je culturele identiteit en dichtte erover.
“Een aantal jaar geleden was ik in een Chinees winkelcentrum in Parijs. Ik paste een blouse in een boetiekje. Een donkerblauwe, met Chinese knopen. Ik vroeg me af: kunnen deze mensen aan mij zien dat ik Chinees bloed heb? Ik was heel erg op zoek naar een ‘wij’, een groep die zegt: ‘Jij hoort bij ons.’ In Nederland voel ik dat makkelijk, omdat ik er met alle culturele normen ben opgegroeid. Maar binnen de Chinees-Indonesische gemeenschap voel ik me altijd een imposter. Ik spreek de taal niet, we aten het eten niet, ik heb de kleren niet, het bloed is verdund. Wat blijft er dan over van dit deel van mij waar ik altijd heel veel bij voel? Mag ik deze cultuur überhaupt mijn cultuur noemen?”

“Toen ik er een gedicht over schreef [zie het kader hieronder – red.], was ik op zoek naar toestemming daarvoor. ‘Indigo helps to keep an open heart’, zei de verkoper over de blouse. Ik kocht ’m. Elke keer als ik hem draag, vooral op het podium, stel ik me voor dat ik mezelf openstel.”

Chinese knopen

aren’t you also a little bit asian
let op: wie het vraagt is allesbepalend
hij mag het
en als dit een verkooptruc is
dan werkt het
ik pas een blouse met chinese knopen
it looks so natural on you
ik knik
dit is het dichtst bij een wij dat ik kan komen
ik vraag hem of de kleur me staat
hij bekijkt me en zegt
you know, indigo is an open color
it helps to keep an open heart

Uit de verhalenbundel Modelverhalen – Reflecties op Aziatische roots (2024)

In Modelverhalen, een bundel met verhalen van Nederlandstalige schrijvers met Aziatische roots, staat ook een gedicht over je voorouders. Daarin biedt taal naast identiteit ook onveiligheid. De laatste zin van het gedicht is: “Ik wil geen taal als touw om me aan vast te houden, ik zoek een taal om in te dwalen en iets te vinden dat van mij is.”
“Veel Chinees-Indonesiërs kozen, als ze die luxe hadden, een beroep waarin taal geen grote rol speelt en ze hun kennis via hun handen konden overdragen: tandarts, fysiotherapeut, chirurg. Beroepen die je over de grens kunt meenemen. Het heersende idee is dat veiligheid losstaat van taal.”

“Ik ben compleet het tegenovergestelde gaan doen: de Nederlandse taal is alles wat ik kan. Ik heb een kwetsbaar beroep; subsidies kunnen worden ingetrokken, de financiering van de kunsten kan opdrogen. Wat kan ik dan? Ik ben compleet afhankelijk van wat mijn voorouders het meest kwetsbaar maakte: taal. Daar worstel ik soms mee. Met mijn werk vergroot ik de welvaart van onze familielijn niet en ergens voelt dat verkeerd. Alsof ik de vruchten pluk van het harde werken van mijn familie, terwijl een eventuele generatie na mij het maar zelf moet zien te redden. Tegelijkertijd: ben ik als derde generatie niet veilig genoeg om me daar geen zorgen meer over te maken?”

Lin An Phoa: “Ik ben compleet afhankelijk van wat mijn voorouders het meest kwetsbaar maakte: taal.”

“In de laatste zin van het gedicht probeer ik mezelf toe te staan: je hoeft je niet meer veilig te werken. Je mag nu doen wat je leuk vindt, waar je nieuwsgierig naar bent, onderzoeken wat er nog meer voor je bestaat.”

En zo geschiedde.
“Tijdens mijn studie miste ik het creatieve van taal. Daar was geen enkel vak over, zelfs geen taalfilosofie. Ook miste ik het om me creatief te uiten, zoals ik in mijn jeugd altijd met dans op de theaterschool had gedaan. Een vriendin herinnerde me eraan dat ik altijd graag schreef – korte verhalen en gedichten. Moest ik daar niet iets mee gaan doen? Via haar kwam ik zes jaar geleden bij Poetry Circle Nowhere terecht. Ik had toen nog nooit van de term spoken word gehoord. Pas toen ik bij Nowhere ging werken, leerde ik dat het een kunstvorm is.”

Was dat een openbaring?
“Er viel iets van me af toen ik ontdekte dat je daar je werk van kon maken: ik hoef niet te kiezen tussen taal, dans en performen; het mag allemaal! Spokenwordartiesten ondersteunen elkaar en gunnen elkaar het succes, het is echt een gemeenschap. Spoken word is kunst maken vanuit een activistisch ideaal. Het is een eeuwenoude traditie. Het is verzet tegen de status quo, het benoemt misstanden in de samenleving. Denk aan dichters als Maya Angelou, Langston Hughes en Nikki Giovanni, die via gesproken poëzie opkwamen voor de rechten van Zwarte Amerikanen. De Britse dichter Roger Robinson noemt gedichten ‘empathy machines’. Dat vind ik heel mooi; we hebben meer empathie nodig.” <<

Presentatie van het Taalfeest

Samen met de Vlaamse journalist en radiomaker Xavier Taveirne presenteert Lin An Phoa het Taalfeest, dat op vrijdag 16 oktober 2026 plaatsvindt in de Koningin Elisabethzaal in Antwerpen.

Dit feestelijke evenement staat dit jaar in het teken van het Nederlands in beweging. Taal verandert immers voortdurend, door technologie, (sociale) media, migratie en straatcultuur.

Verwacht onder meer optredens van:

  • Viroloog Marc Van Ranst over taal in crisissituaties
  • Ruth Lasters, Dichter van België
  • Taalkundige Stef Spronck over de stem in je hoofd
  • Onze Taal-redacteur Ludmilla Coornstra over taaltrends op sociale media

Het Taalfeest wordt georganiseerd door de lage landen, VRT, de Taalunie en Onze Taal. Meer informatie, het programma en kaartjes vind je hier.

De Week van het Nederlands

Het Taalfeest vindt plaats in de Week van het Nederlands, die loopt van 10 tot 18 oktober 2026.

Zoals ieder jaar verschijnt er die week een speciale Taalkrant (met opdrachten voor in de klas of daarbuiten) en worden er vele evenementen georganiseerd.

Ook zijn er weer twee ambassadeurs: Maud Vanhauwaert en Roan Kasanmonadi. Beiden touren tijdens de Week van het Nederlands door de Lage Landen. Roan met een nieuwe performance waarin woord en beweging samenkomen, en Maud met haar nieuwe voorstelling Letter maar op, waarmee ze je uitnodigt om actief mee te spelen met woorden, letters en betekenissen.

Roan Kasanmonadi en Maud Vanhauwaert, ambassadeurs van de Week van het Nederlands. Foto: Nathalie Samain

Meer informatie over evenementen tijdens de Week van het Nederlands vind je hier.