Soms zitten de mooiste gedichten verstopt in andere teksten, ziet essayist en poëziecriticus Guus Middag.

Poëzie is overal: in dichtbundels en op podia, in kranten en op muren, in advertenties en in liedjes. Maar ook op onzichtbare plekken. Soms ook in proza. Een mooi voorbeeld is dat van de dichter T. van Deel, die in een roman van Gerrit Krol een gedicht aantrof, zonder dat Krol wist dat hij het geschreven had. Van Deel haalde het fragment eruit, isoleerde het, deelde het in versregels in, voegde er een witregel en een titel aan toe, en gaf Krol zo een nieuw gedicht van eigen makelij. Krol was wel geamuseerd door deze ingreep. Hij accepteerde het gedicht als een vers van zichzelf en nam het later op in zijn verzamelde gedichten.

Zo ongeveer is het ook gegaan met de tot voor kort onbekende dichter Joost Broere (Rotterdam, 1965). In het dagelijks leven was de veelzijdige Broere onder meer leraar, zanger in een garagepunkband (Fury 161), soulliefhebber en jazzplatenverzamelaar, eigenaar van een eersteklas muziekinstallatie (“zijn muzikaal smulcentrum”) en ook nog gewoon vader, geliefde, kok, buurman en wat al niet meer. Maar voor zover hij wist, was hij absoluut geen dichter.

Opgeraapte poëzie

Daar dacht zijn boezemvriend John Schoorl anders over. Schoorl maakte hem zijn leven lang mee, en zag in de uitspraken, sms’jes en appjes van Broere al vroeg af en toe kant-en-klare gedichten voorbijkomen. Hij schreef ze op en verzamelde ze vorig jaar in de bundel Geborduurde poëzie. Het zijn korte gedichten die je, volgens de niet-dichter zelf, op een stuk textiel zou kunnen borduren – vandaar de titel. Je zou ook van gevonden, of opgeraapte poëzie kunnen spreken.

Deze niet-gedichten hebben, natuurlijk, geen titel, maar Schoorl zette er wel een aanduiding van het onderwerp bij. Dit is de dichter Joost Broere over ziekenhuizen:

Om het eten
Hoef je het

Niet te doen.

En dit is dichter Joost Broere over de buren: “Ik kijk / er het // liefst naar // door een / vizier.” Dit is zijn aforisme over de voortplanting: “Als de motor / eenmaal loopt // draait het / vanzelf.” En dit is een wijs advies voor soldaten aan het front: “Blijf laag // Zit niet / aan je neus.”

Het enige wat Schoorl hoefde te doen was het gedicht, dat als het ware al klaarlag, te isoleren uit zijn context. Zoals Van Deel een gedicht isoleerde uit het omringende proza van Krol. Zoals Michelangelo naar eigen zeggen zijn beelden “bevrijdde” uit het marmerblok waarin ze zaten opgesloten. Zoals Marcel Duchamp een losse pisbak in een museum tentoonstelde, als een kunstwerk. Poëzie is overal.

In de lucht

Onmiskenbaar is de bijzondere woordkeus (“bleekscheethout”) en de bijzondere blik van Broere: “Je zou de secondenwijzer / aan de trekhaak // willen binden”. Maar het effect van zijn niet-gedichten is zeker ook voor de helft te danken aan het vermogen van John Schoorl om net het goede fragment te isoleren en van een betekenisvolle regelverdeling en de juiste pauzes te voorzien. Timing – daar komt het op aan. En dan ontstaat soms iets dat mooi in de lucht hangt, absurd en raadselachtig tegelijk. Zoals dit (‘Joost over timing’):

Wanneer
Laat je

 Een ei schrikken.

De gedichten van Broere zijn allemaal kort en krachtig. Er zitten kroegwijsheden tussen (“Met een snotneus / kun je geen bier halen”) en motto’s voor het leven: “Als de / taart komt // moet je / niet bukken.” Ze zijn hard en droog, rauw en romantisch, en daarmee horen ze helemaal thuis in de typisch Rotterdamse school van dichters als Jules Deelder, Hans Sleutelaar en Cornelis Vaandrager. Roffapoëzie. Het hangt daar, in de havens, in de lucht. Of het ligt er, op de oevers van de Maas, gewoon op straat. Soms heb je alleen maar iemand nodig om het op te rapen.  <<