‘Ik wil niet fietsen hoor, want het regent!’

‘Hallo, je bent toch niet van suiker!’

Zonder twijfel gebruikten ouders dergelijke zinnen ook deze winter weer vele malen tegen hun kinderen. Hup, naar buiten jij, een beetje regen kan geen kwaad.

Het gaat om een zegswijze die, zo is mijn ervaring, enige verwarring kan oproepen. Niet van suiker, nee duhuh, maar hoe komen we aan die uitdrukking? Voor het antwoord moeten we een flink stuk terug in de tijd.

Medicijn

Laten we beginnen bij de geschiedenis van de suikerconsumptie. In China genoten ze al ver voor de christelijke jaartelling van suiker; West-Europeanen maakten hier pas in de Middeleeuwen kennis mee. Dat gebeurde tijdens de kruistochten naar het Midden-Oosten, waar suiker toen ook al lang bekend was. In West-Europa schreven apothekers suiker aanvankelijk voor als medicijn – men mag aannemen met weinig effect. Vanaf het begin van de zestiende eeuw verwerkte men in Antwerpen suiker op grote schaal, Amsterdam volgde aan het eind van die eeuw. In 1611 kon je daar zoetigheid kopen bij een suikerbakkerij genaamd De Drie Suijkerbroden.

De eerste suikerzegswijzen dateren van halverwege de zeventiende eeuw. In sommige delen van ons taalgebied zei men toen in de tijd van de suikerpeen voor ‘in de goede oude tijd’. Suikerpeen betekent ‘suikerwortel’ of ‘suikerbiet’.

Richting de negentiende eeuw nam de suikerconsumptie enorm toe: we gingen bittere dranken als koffie en thee drinken, en die konden wel wat suiker gebruiken. En zo raakte ook de taal gesuikerd: halverwege de negentiende eeuw was het aantal suikerzegswijzen toegenomen tot wel 25. Althans, zoveel vermeldde P.J. Harrebomée er in 1861 in zijn omvangrijke spreekwoordenboek. Voorbeelden zijn: “Hij loopt haar na, alsof zij suiker aan haar achterste heeft”, “In de liefde is alles geene suiker” en “Ik krijg de schuld, zei de kaas, maar de suiker heeft uwe tanden bedorven”. (Dat laatste is een verrassend inzicht als je bedenkt dat de tandheelkunde toen nog in de kinderschoenen stond.)

Zout

Ook de uitdrukking niet van suiker zijn dateert uit de negentiende eeuw, al was er voor het zoet eerst nog zout. Het is een variant op een oudere uitdrukking, die onder meer te vinden is in een roman van Jacob van Lennep. In 1840 schreef hij: “Ik ben niet van zout of van kraakporselein en zal aan een nat pak of een weinigje vermoeienis niet sterven.”

Suiker smelt van water, net als zout, vandaar dat deze zegswijzen geregeld opduiken bij nattigheid en soms zelfs in één adem werden genoemd. Zo lezen we in een roman uit 1887, over iemand die vanwege dreigend onweer niet naar buiten wil: “Dientje is toch niet van suiker of van zout?”

Een tijdlang werd niet van suiker overigens ook algemener gebruikt, namelijk voor ‘stevig, robuust’. Zo spreekt een dagblad uit 1862 over een oordeel dat “niet van suiker is”. Lees: een krachtig, niet mis te verstaan oordeel. Maar de boodschap ‘je bent toch geen doetje’ kreeg snel de overhand, al dan niet in combinatie met nattigheid. Een krantenfeuilleton uit 1885 vertelt over een man die een jonge vrouw onverwacht vol op de mond kust. De vrouw is boos. Reactie van de man: “Nu, je bent toch niet van suiker.”

Vervolgens veegt hij z’n mond af. Het gaat hier dus om een natte kus. <<