
Op taalreis met rovers
Een nieuwe blik op het Nederlands van de achttiende eeuw
In de historische taalkunde staat de taal van de hogere klasse vaak centraal. Maar die van de laagste sociale klasse blijkt minstens zo interessant, bewijst wel dit onderzoek naar de Knijperbende.
Het was het voorjaar van 1730 en de Delftse notabele Jacob van Wouw was op de vlucht: het Hof van Holland had hem gedagvaard vanwege een verdenking van homoseksualiteit. Met kleren, geld en brieven van krediet op zak stond hij in een herberg in Maassluis, klaar om de veerboot naar Zierikzee te nemen. Van daaruit kon hij de overtocht naar Vlaanderen regelen, waar hij veilig zou zijn. Hij betaalde de herbergier, die hij goed kende, voor de kamer. Met een dramatisch gebaar duwde hij hem bij wijze van geschenk zijn wandelstok met gouden knop in handen. “Adieu”, sprak hij volgens het overgeleverde strafdossier. “Wie weet of wij malkanderen ooyt weederomme sullen sien.”
Voortvluchtigen
Vluchtelingen zoals Jacob van Wouw konden vrijwel overal een nieuw leven opbouwen. Ze hadden immers geld en connecties genoeg. Frankrijk, Engeland en zelfs Italië lagen binnen bereik. Toch deed Jacob wat ook voortvluchtigen van lagere komaf vaak deden: hij bleef dicht bij huis. Vooral de Oostenrijkse Nederlanden (het huidige België) en de Duitse vorstendommen waren populaire bestemmingen. Daar waren praktische redenen voor: vanuit steden als Emmerich, Duisburg en Antwerpen kon je gemakkelijk contact houden met het thuisfront, en per schuit of koets was je zo weer terug bij familie en vrienden. En minstens zo belangrijk: daar kon je gewoon Nederlands spreken.
Dankzij taalhistorisch onderzoek naar briefcorrespondenties en archiefstukken weten we vrij goed hoe deftige mensen als Jacob van Wouw leefden en spraken. Maar de taal van gewone mensen in de achttiende eeuw, vooral van de laagste sociale klasse, bleef tot voor kort buiten beeld, want deze groep taalgebruikers heeft nauwelijks geschreven teksten achtergelaten. Het interessante van die groep: ze moeten vooral plattelands- en stadsdialecten hebben gesproken die pas later goed gedocumenteerd zijn. Met die Nederlandse dialecten konden ze op veel plekken terecht, want het Nederlandse taalgebied was toen groter dan nu: het bestreek in die tijd ook Frans-Vlaanderen en een deel van Noord-Duitsland. Als Hollandse of Gelderse struikrover kwam je met je moerstaal dus een heel eind.
De Knijperbende
Om een goed beeld te krijgen van de taalkundige ruimte waarin criminelen uit de onderlaag van de samenleving actief waren, kunnen we een van de beruchtste boevenbendes van Drenthe uit die tijd als voorbeeld nemen: de ‘Knijperbende’. In het najaar van 1730 had deze bende op gruwelijke wijze boerderij de Knijpe beroofd, in de buurt van Meppel, waarbij de boer zelf om het leven kwam en zijn vrouw en dochter zwaar waren mishandeld. Ik heb op basis van de bewaarde processtukken geprobeerd te achterhalen wie de bendeleden waren, waar zij vandaan kwamen en waar zij, tijdens hun omzwervingen, geweest waren. Zo krijgen we een idee van het dialectlandschap in die tijd.
De bende telde op zijn hoogtepunt zo’n tien tot veertien leden en zwierf omstreeks 1730 door de provincies Drenthe, Overijssel en Gelderland. De groep bestond vooral uit jonge mannen tussen de vijftien en dertig jaar oud, maar af en toe sloten zich ook vrouwen bij het gezelschap aan. Toen in de winter van 1730-1731 de eerste bendeleden voor de Knijper moord werden opgepakt, vluchtte een deel van de groep naar de Duitse vorstendommen die aan de Republiek grensden. Van daaruit trokken enkele mannen de Oostenrijkse Nederlanden in om daarna via Noord-Brabant weer in de Betuwe terecht te komen. Daar liepen uiteindelijk de laatste bendeleden tegen de lamp.
De taalroute van de Knijperbende
Op deze kaart zien we welke route de Knijperbende heeft afgelegd: van de overval op de Knijpe-boerderij tot de veroordeling van de bendeleden. Waar kwamen de belangrijkste bendeleden vandaan en welke dialectwoorden brachten ze mee? Je leest het in de kaders hieronder.
(Het gaat steeds om de tegenhangers van de Nederlandse woorden jij, huis, zand, stad, bij, schaap, koud, jaar, wij zijn en wij komen.)

tekst
