
Roddeltouw
Schrijver Tessa Leuwsha vanuit Suriname
Ik heb mijn tante aan de telefoon, die dit jaar negentig wordt en een zus is van wijlen mijn Surinaamse vader. Net als pa vertrok ze in de jaren zestig naar Nederland, waar ze nog altijd woont. Ik spreek haar niet vaak en het valt me op dat ze opeens veel Surinaamse woorden gebruikt.
In mijn jeugd in Amsterdam sprak mijn vader alleen met zijn vrienden Sranantongo, alsof het een geheime codetaal was. Maar als ik ook maar één zinnetje waagde in het Surinaams, dan trok hij zijn wenkbrauwen hoog op. Sranan praten was toen volstrekt not done, zowel in Nederland als in Suriname. Welnee, je moest fatsoenlijk Nederlands leren spreken om hogerop te kunnen komen.
Gelukkig is dat aan het veranderen. Gedurende de dertig jaar dat ik in Suriname woon, hoor ik steeds vaker Surinaamse liedjes op de radio voorbijkomen en zelfs politici de taal van het volk spreken. En nu dus ook mijn tante. Ze vertelt dat ze drie keer per week naar de dagopvang gaat. Op zachte toon en in het Sranan, zodat haar Nederlandse man haar niet kan verstaan, voegt ze eraan toe dat ze er soms geen zin in heeft. Ik voel me plots weer kind, blij nu ook de geheimtaal te kennen. “Mi sabi, ik snap het”, zeg ik. Als mijn tante verder praat, gebruikt ze woorden waarvoor tegenwoordig in Suriname meestal leenwoorden uit het Nederlands worden gebruikt, zoals enkriwan voor ‘enig kind’.
Een ander Surinaams woord dat ik zelden nog hoor is opolangi voor ‘vliegtuig’. Opolangi betekent letterlijk ‘stijgen’ (opo) en ‘landen’ (langi). Ook het woord konkrutitey voor ‘telefoon’ is praktisch verdwenen. Dat betekent zo ongeveer ‘roddeltouw’, wat soms natuurlijk best treffend is. “Bosi, kusjes!”, roept mijn tante, en ze voegt er in onvervalst Nederlands aan toe: “De groetjes aan je moeder.” De talen Sranantongo en Nederlands zijn voor Surinamers innig met elkaar verweven.
Tessa Leuwsha
