In mijn woonplaats Rijssen staat een appartementencomplex op een plek waar eeuwen geleden een watermolen te vinden was. Als klein gedenkje hebben ze het complex ernaar vernoemd. Tot zover prachtig. Maar er staat een knoeperd van een spelfout op de voorgevel: Watermôlle. Die ô moet eigenlijk een ö zijn, als je de (semi-officiële) Twentse spellingsregels volgt. Of als je zeer lokaal wilt doen een ù (lang verhaal).

De naamgevers van het gebouw wilden iets met het Twents doen, maar ze wilden kennelijk niet de moeite nemen om het even te checken. Het complex staat alleen maar aan een nogal prominente straat van Rijssen. Al zolang ik leef.

Als je je druk maakt over dat soort kleine dingen, word je in Twente uitgelachen. ‘Een goeie Tukker is geen motherfucker’, zeggen ze dan. ‘Waar maak je je druk om?’ Blijkbaar is zorgvuldig omspringen met je taal niet belangrijk.

Dat blijkt ook: de gemiddelde Nedersaks schrijft nauwelijks in de eigen taal. Op mijn tiktoks over het Nedersaksisch krijg ik regelmatig reacties van mensen in de trant van ‘Het moet behouden blijven!’ Ironisch genoeg meestal in het Nederlands.

O, er zijn zat spellingsvoorschriften. In het Nederlandse deel van Nedersaksië hebben we meer dan vijftien varianten, onder meer voor het Drents, Gronings en Stellingwerfs. Ze zijn opgesteld door groepjes regionale fanatiekelingen die het onderling niet eens konden worden. Alleen al voor het Twents bestaan er vier ‘standaarden’. Je kunt heuse veldslagen ontketenen als je tegen puristen over spelling begint.

Maar omdat de gemiddelde Nedersaks dus vindt dat spelling bij Nedersaksisch niet zo nauw luistert, prutsen de meeste mensen maar wat aan. Zo kunnen dagjesfietsers in de buurtschap Nötter, vlak bij Rijssen, even op adem komen bij een oet’röstpunt. Geen idee wat die apostrof daar moet, maar het is Nedersaksisch, dus hij zal er wel ergens tussen horen, lijkt de gedachte. Als Twents schrijver word ik daar nou niet bepaald röstig van.

Martin ter Denge