
Stinzenplanten
Over de herkomst van onze woordenschat
Wat hebben stinzenplanten te maken met stenen torens uit de middeleeuwen? Etymologe Nicoline van der Sijs duikt in de deze bijzondere verzameling planten.
Onlangs stelden de buren voor om in de gemeenschappelijke tuin stinzenplanten te poten. Wat we daarover hebben besloten is me ontgaan, want ik droomde weg bij de vraag waar de naam stinzenplant vandaan komt. In mijn zoektocht naar het antwoord stuitte ik op het interessante verhaal van de Friese bioloog en onderwijzer Jacob Botke (1877-1939). Maar eerst: wat is een stinzenplant eigenlijk?
Stinsen
Een stinzenplant (soms ook met een s: stinsenplant) is geen specifieke plantensoort, zoals ik aanvankelijk dacht, maar een verzamelnaam voor verschillende sierplanten, waaronder bosanemonen, wilde narcissen, lelietjes-van-dalen en aronskelken. Ze hebben als gemene deler dat ze groeien in de buurt van (vroegere) buitenplaatsen, kastelen en landhuizen. De hierboven genoemde Jacob Botke was de eerste die deze bijzondere flora herkende en van een naam voorzag, in zijn Friestalige boek De Gritenij Dantumadiel uit 1932. Hij muntte de benaming stinsplanten, omdat het hem opviel dat deze “aerdige planten” overal voorkwamen waar stinzen stonden of hadden gestaan. Stins is de Friese naam voor een middeleeuwse stenen toren of verdedigingsgebouw op een terp naast een boerderij. Dat stins komt van stienhûs: ‘stenen huis’.
Als voorbeeld van deze speciale planten noemt Botke het foarjiersklokje (‘lenteklokje’) rond de Schierstins in Veenwouden: de enige middeleeuwse stins die bewaard is gebleven. Dat rond de oorspronkelijke stinzen zo’n bijzondere flora bestaat, verklaarde Botke uit het feit dat in het verleden allerlei uitheemse groenten, kruiden en planten in klooster- en stinzentuinen waren aangeplant, die in de loop van de tijd verwilderden en inburgerden. Veel stinzenplanten komen inderdaad oorspronkelijk uit Zuid- Europa.
Börgbloumkes
De benaming stinzenplant raakte snel bekend bij het grote publiek. Eerst via de Friese media, maar vanaf 1941 schreven ook kranten buiten Friesland over deze bijzondere flora. Inmiddels is de Friese naam zowel in het Nederlands als in het Duits (Stinsenpflanze) ingeburgerd. De aloude wedijver tussen Friezen en Groningers heeft er echter voor gezorgd dat Groningers spreken over börgbloumkes: de plantjes groeien immers niet alleen rond de Friese stinzen, maar ook rond de adellijke woningen die in het Gronings borgen heten.
Het zou Botke ongetwijfeld met trots hebben vervuld als hij had geweten hoe bekend de Friese naam inmiddels is. Hij zette zich namelijk zijn hele leven in voor het gebruik en behoud van het Fries. Zo richtte hij in 1922 De Fryske Bibleteek (‘de Friese Bibliotheek’) op en bedacht hij in 1930 de naam It Fryske Gea voor de nog steeds bestaande Friese landschapsvereniging. Gea betekent ‘dorp, buurt, streek’ en is de Friese variant van het Nederlandse gouw. Twee jaar later muntte Botke bovendien de Friese naam geakunde voor ‘heemkunde’, de bestudering van de eigen streek en haar inwoners. Hij wilde het vak geakunde op Friese scholen invoeren, maar dat mislukte, onder andere doordat heemkunde populair was in nazi-Duitsland en daardoor in de Tweede Wereldoorlog besmet raakte.
De populariteit van stinzenplanten is daarentegen in de loop van de tijd alsmaar toegenomen. Zaden en planten zijn overal in Nederland te koop. Als ik straks in het tuincentrum een paar mooie stinzenplantjes uitzoek, zal ik dan ook nog even ontdekker en naamgever Botke gedenken. <<
