Toen ik op de middelbare school zat, probeerden een vriendin en ik een tijdje te stoppen met lachen. Het idee was dat de bezigheid (lachen, dus) bij benadering tamelijk oncool was – zo’n open mond, en van dat ongecontroleerde geluid dat eruit kwam. In plaats van te lachen zouden we in het vervolg zeggen: ‘Dat is best wel grappig’, of anders gewoon: ‘Grappig.’

In de praktijk hield dit plan geen enkele stand – lachen bleek niet per se een keuze, meer iets wat je overkwam. Geregeld kwam het voor dat we lachend verklaarden dat iets ‘best wel grappig’ was – en dat, vonden we, was eigenlijk nog stompzinniger dan lachen an sich. Vandaar dat we na een paar dagen alweer besloten over te gaan op het ouderwetse lachen.

Ik vraag me af hoe middelbare scholieren het er vandaag de dag vanaf zouden brengen met dit experiment. Ik stel me voor dat zij een stuk geoefender zijn in het scheiden van grappige dingen enerzijds en het bijbehorende fysieke effect dat die teweeg kunnen brengen anderzijds. Al is het maar vanwege hun collectieve talent de veelgehoorde uitspraak ‘Ik ga stuk’ (om aan te geven dat de jongere in kwestie iets of iemand grappig vindt) te combineren met een volledig uitgestreken gezicht – een gezicht waar concreet weinig ‘stuk aan gaat’.

Je zou natuurlijk kunnen opperen dat het jammer is dat jongeren momenteel zo veel terughoudendheid ervaren om hun gezicht uit de plooi te vertonen – dat dit ongetwijfeld een effect is van de alomtegenwoordige telefoon die elk jeugdig gezicht op elk moment van de dag in selfiestand duwt. Een andere waarheid, ondertussen: ik had op mijn zestiende een moord gedaan voor zo veel zelfverkozen uitdrukkingsloosheid. <<

Doortje Smithuijsen is de schrijver van het Boekenweekessay Ik zou uw dochter kunnen zijn.