
Taal zonder grenzen
Schrijver en cabaretier Wouter Deprez over talige verrassingen
Dat onze landsgrenzen een jongere geschiedenis hebben dan onze taalgrenzen, merkte ik voor het eerst op toen ik acht was. Onze buurman had een Noord-Ierse jongen op bezoek, die de spanningen in zijn geboorteland even kon ruilen voor de gezapige rust van mijn West-Vlaamse geboortedorp. Tot mijn verbijstering sprak hij in zijn Engels school uit met dezelfde k als ik skole, in mijn dialect. Bovendien deelden we een liefde voor knikkers: marbles in zijn Engels en marbels in mijn dialect. Trots was voor hem proud en voor mij preus.
Vanaf het vijfde leerjaar kregen we op skole Frans; dat trok mij helemaal de taalgeschiedenis binnen. Een bord was une assiette, volledig hetzelfde als in ons dialect, behalve dat wij het fonetisch uitspraken met een ie-klank. Une fourchette was in het Nederlands een vork, maar bij ons een fersette. En waarom wij bij een begroeting bezjoer zeiden, werd me bij elke bonjour in de les duidelijker.
Op mijn twaalfde zaten we in de zomer op een vakantiedomein in het Groothertogdom Luxemburg. De onweerstaanbare dochter van de uitbaters heette Veronika, met een hele lange Duitse oooo die me weg deed drooooomen. Veronika en haar lange krulharen zouden wel onbereikbaar voor me zijn, dacht ik, in dat onverstaanbare Duits. Maar na een paar dagen bleek dat ze Pferd reed. In mijn dialect was dat verrassend verwant peird. Gesterkt door dat taalbrugje zocht ik toenadering, en een paar dagen later speelden we al samen in een hooimijt, die in beider talen een miete heette. Aan die kleine overlappingen had ik genoeg om een allesomvattende verliefdheid voor Veronika in te duiken.
Twee weken later arriveerde er nog een West-Vlaamse jongen op het vakantiedomein. Ik probeerde Veronika hem een idioot te laten vinden, in het Duits toch maar met één o’tje minder. Maar hij reed beter Pferd dan ik. Voor het eerst had ik een liefde verloren. Bleek dat ook dat voltooid deelwoord in het Duits hetzelfde was.
Wouter Deprez
