
Taalbad
Schrijver Tessa Leuwsha vanuit Suriname
“Laten we Plantage Frederiksdorp kopen”, zei mijn man tien jaar geleden op een dag. De voormalige koffie- en cacaoplantage stond toen al jaren te koop. Niemand wilde de lap kleigrond met de historische houten panden hebben. Mijn man en een stel mede-investeerders wilden de plantage behouden door die in te richten als een resort. “No way!”, riep ik, want kon je op zo’n beladen plek wel aan een zwembad gaan liggen? Maar de avonturiers waren al niet meer te houden.
Frederiksdorp is een van de ruim vijfhonderd plantages die in de achttiende eeuw door slaafgemaakten zijn aangelegd. Plantage-eigenaren gaven hun ‘lijfeigenen’ vaak oer-Hollandse namen, zoals Hendrik of Catootje. En bij de officiële afschaffing van de slavernij in 1863 kregen ze ook nog eens een achternaam opgeplakt. Bijvoorbeeld Nelom, wat het omgekeerde is van het woord molen, of Madretsma, dat omgekeerd Amsterdam luidt. Behalve hun naam verloren Afrikaanse slaafgemaakten ook hun eigen taal. In Suriname smolt die met het Portugees en Engels samen tot de contacttaal Sranantongo, die de meeste Surinamers nog altijd spreken.
Ik ging om, op voorwaarde dat we de plantage een wasi zouden geven. Wasi betekent letterlijk ‘wassen’, maar staat ook voor een spirituele reiniging. Ik had het ritueel van mijn Surinaamse oma afgekeken. Oma kwam in mijn jeugd vanuit Suriname bij ons in Amsterdam logeren en bracht een nieuwe wind mee. Ze droeg op haar hoofd een angisa, een gevouwen doek, en stond erop dat het huis ingezegend werd. Terwijl ze door de kamers liep, sprenkelde ze water uit een meegebrachte kalebas en ze prevelde er spreuken bij. Volgens haar joegen die uitspraken de boze geesten weg.
Op een avond op Frederiksdorp deden mijn man en ik hetzelfde. We stonden stil bij alle verloren levens, en ik zei: “Mek’ alla ogri wai”: ‘laat al het kwade verdwijnen’. Alleen al door Sranantongo te praten, in de koloniale tijd een onderdrukte taal, voelde ik me een stuk lichter.
Tessa Leuwsha
