
Taalerosie
Schrijver Tessa Leuwsha vanuit Suriname
Het is zondag. Mijn moeder en ik wandelen op ons gemak langs de brede Commewijnerivier naar de voormalige plantage Johanna Margaretha, nu een klein vissersdorp. De zon is aan het klimmen, ik druk mijn pet stevig op mijn hoofd. Vlak voor het dorp haalt winkelier Robby ons in op zijn brommer. “Komen jullie wat drinken?”, vraagt hij. Even later zitten we lekker aan het water, op zijn terras van planken, het dak van golfplaten.
Er varen veerbootjes voorbij. Iedereen in deze landelijke omgeving kent Robby, een goedgehumeurde Hindostaan van zeventig jaar. Trots vertelt hij dat zijn kleinzoon een tien heeft voor rekenen en taal, en hij roept het jongetje om gedag te komen zeggen. Als we de knul een complimentje geven, zegt Robby: “Maar hij heeft een vier voor gedrag.” We schieten met z’n allen in de lach, ook het ondeugend kijkende jongetje.
Robby vertelt dat hij zijn kleinzoon leert beleefd te zijn, bijvoorbeeld door mensen niet meer met ‘u’ aan te spreken. “Hoezo?”, vraagt mijn moeder verbaasd. Robby, die zelf lang niet perfect Nederlands spreekt, is ervan overtuigd dat ‘u’ zeggen niet netjes is. In het Engels bestaat die vorm toch
ook niet?
Laatst had hij zowaar Engelssprekende gasten en zijn kleinzoon kon met ze praten, want die pikt Engels op van zijn telefoon. Robby spreekt die taal niet, wel Nederlands dus en Hindostaans en Javaans, de talen die in het gebied worden gesproken. Hindostaans, ook Sarnami genoemd, is een mengeling van dialecten uit Noord-India, gesproken door contractarbeiders die naar Suriname kwamen. Ook Javaanse contractarbeiders uit het toenmalige Nederlands-Indië brachten hun eigen taal mee. “Kun jij Hindostaans praten?”, vraag ik aan het jongetje. Hij schudt zijn hoofd, plotseling verlegen. Maar Robby knikt tevreden: “Hij moet goed Nederlands kunnen, dát leert hij op school.” Begrijpelijk, en toch ook jammer van de verdwijnende taal.
Tessa Leuwsha
