Met een taalportret kunnen meertalige kinderen laten zien hoe ze de talen ervaren die ze kennen. Welke talen zitten in het hart? Of juist in het hoofd? En waarom is het belangrijk om dat te weten?

Nederlands en Fries, maar ook Engels, Indonesisch, Grieks, Russisch, Frans en zelfs ‘liefdestaal’ en ‘oogtaal’ : in groep 7 van een basisschool in Friesland is een veelkleurig palet aan talen te vinden. Letterlijk, zoals in de tekeningen hierboven en -onder te zien is. De kinderen in deze klas kregen een blad met een voorgedrukt silhouet, waarin ze met kleuren mochten aangeven welke talen ze kennen, spreken of mooi vinden, waar ze die talen in hun lichaam voelen en welke betekenis die voor hen hebben. Het begrip ‘taal’ werd voor deze opdracht breed geïnterpreteerd, want dat mocht volgens de instructie “de taal zijn die jij thuis of op school spreekt, maar ook de taal van muziek of de liefde.”

Zo’n tekening wordt een taalportret genoemd: het is een manier om te laten zien hoe meertaligheid verweven is in iemands persoonlijkheid. Iedere taal krijgt een eigen kleur, die de kinderen zelf mogen kiezen. Het voorgedrukte silhouet dat de kinderen krijgen om in te kleuren is dus leeg. “Maar negentig procent van de kinderen tekent zelf een hart in het silhouet, met daarin vlaggetjes of symbolen in de kleuren die voor hen belangrijk zijn. Meestal zijn dat de thuistalen”, zegt onderzoeker en hoogleraar onderwijswetenschappen Joana Duarte. Zo kleurde een van de leerlingen het hele lichaam, inclusief het zelfgetekende hart, in de kleur die voor het Fries stond, want: “Fries is mijn thuistaal, dus zit dat in mijn bloed.” Duarte: “Eigenlijk zijn alle kinderen meertalig. In deze klas ging het vaak om Fries en andere streektalen, maar ook om jeugdjargon, Engels of computertaal.”

De taalportretten in dit artikel zijn gemaakt door basisschoolkinderen binnen het project Meer kansen Met Meertaligheid (3M), uitgevoerd door onder anderen Joana Duarte.

Speelse manier

De van oorsprong Portugese Duarte houdt zich al jaren bezig met meertaligheid in het onderwijs, en ze maakt zich zorgen: “Het Nederlandse onderwijssysteem is het minst inclusieve systeem dat ik ken. Door met name op rekenen en Nederlands te toetsen, toets je maar een klein deel van de kennis van kinderen. De kennis over bijvoorbeeld aardrijkskunde of de mate waarin iemand andere talen beheerst, doen er niet toe. Dat is nadelig voor meertalige leerlingen. Op die manier bestraf je kinderen voor iets wat ze nog niet goed kunnen. En op basis van die paar procent kennis die je wél toetst, krijgen kinderen een schooladvies. Dat heeft impact op de rest van iemands leven en zelfbewustzijn, en daarmee op de voorwaarden om te kunnen leren.”

Duarte weet dat ze als onderzoeker het systeem niet zomaar kan veranderen. “Maar we kunnen wel handvatten aanreiken om die kennis over andere zaken dan taal en rekenen voor het voetlicht te brengen.” Het taalportret is daarvoor bij uitstek een geschikte methode. “Je kunt natuurlijk een vragenlijst gebruiken om te achterhalen welke talen iemand spreekt, maar dan ben je weer aan het meten en vergelijken. Wij gebruiken taalportretten primair als middel om bewustwording bij docenten te vergroten. Het taalportret is juist een speelse manier om meertaligheid in kaart te brengen. En het laat ook de creativiteit, de taalmixing en de meerdere identiteiten zien. Dat zie ik ook terug bij mijn zoon. Hij kan bijvoorbeeld heel Portugees zijn als hij geld van mijn ouders wil voor een ijsje, Duits als hij met zijn vader naar een Duitse voetbalwedstrijd kijkt en Fries als hij met zijn Friestalige vrienden uitgaat.”

Een taalportret is voor bijvoorbeeld leerkrachten een middel om meer te weten te komen over de emoties, identiteit, en de rol van taal in het leven van een kind. Duarte: “Het is een mooie manier om te laten zien hoe talen niet in hokjes zitten en hoe complex het samenspel van talen eigenlijk is. De identiteit van een meertalig kind bestaat uit verschillende onderdelen en komt tot uiting in het taalportret en het gesprek dat daaruit voortkomt.”

Ontdekken

Veel meertalige kinderen doen minder mee in de klas en zijn daardoor minder zichtbaar. Duarte: “Uit onderzoek blijkt dat er een heel positieve sfeer kan ontstaan wanneer leerkrachten met kinderen in gesprek gaan over hun taalportret. De kinderen voelen zich gezien, vertellen ineens wel verhalen. Zo’n positieve attitude is belangrijk om te kunnen leren. Tegelijkertijd biedt het aanknopingspunten voor gesprekken over culturele diversiteit. Meertalige kinderen kunnen hun portret presenteren in de klas, waarop andere leerlingen er vragen over kunnen stellen. Daarmee wordt het ook een onderdeel van burgerschap. Leerlingen worden begripvoller tegenover klasgenoten met een andere achtergrond, omdat ze nieuwe dingen over hun klasgenoot ontdekken.”

Taalportretten kunnen ook een praktisch doel hebben in het onderwijs. Duarte: “Naar aanleiding van het werken met taalportretten zoeken veel docenten verdere verdieping. Zo komen ze bijvoorbeeld uit bij wat in vaktermen ‘translanguaging’ wordt genoemd: het doelgericht inzetten en afwisselen van talen in verschillende fases van de les. Een docent kan bijvoorbeeld instructie geven in het Nederlands, waarna leerlingen die onderling dezelfde taal spreken in kleine groepjes in hun eigen taal bespreken wat ze hebben begrepen. Daarna koppelen ze dat klassikaal weer terug in het Nederlands. Zo kan de docent controleren of de uitleg echt is aangekomen.”

Roemeense verhalen

Waar Duarte scholen stimuleert om de taalportretten in te zetten, gebruikt Hilde De Smedt de portretten juist in de gezinssituatie. De Smedt is coördinator meertaligheid bij Foyer Brussel en werkt als logopedist.

Ze past de taalportretten onder meer toe in meertalige gezinnen om negatieve emoties rondom taal te verlagen, positieve emoties te verhogen en meer begrip voor elkaar te krijgen. Dat deed ze bijvoorbeeld bij Marius, een achtjarige Roemeense jongen met een taalstoornis. “Je verwacht bij meertalige kinderen een sterke band met de moedertaal en een minder sterke band met de schooltaal. Bij kinderen met een taalstoornis is dat vaak omgekeerd. Zij leren die nieuwe taal op school namelijk gestructureerd aan, terwijl ze de thuistaal al doende moeten leren. Voor kinderen met een taalstoornis is een gestructureerde aanpak toegankelijker. Deze jongen voelde zich beter bij het spreken van Nederlands dan bij Roemeens.”

Dat zag je terug in het taalportret van Marius. In de digitale variant die De Smedt gebruikte, kleurde Marius één oor, het grootste deel van zijn hart en zijn benen paars: de kleur van zijn favoriete voetbalclub Anderlecht. Paars staat voor positieve dingen: het Nederlands, de taal die hij het beste beheerst en die hij met zijn vrienden spreekt als ze samen voetballen. Een klein deel van het hart, een deel van het hoofd en het andere oor kleurde hij zwart. Die kleur staat voor de Roemeense taal, die hij juist niet leuk vindt. “Want daar moest hij constant over nadenken”, legt De Smedt uit.

De meertaligheid leidde in het gezin tot een conflict. “Van zijn alleenstaande Roemeense moeder moesten Marius en zijn zusje thuis Roemeens spreken”, vertelt De Smedt. “Het taalportret vormde de aanleiding voor een gesprek. De moeder legde daarin uit waarom Roemeens belangrijk voor haar was. Marius gaf aan dat hij het wél leuk vond als zij in het Roemeens verhalen vertelde. Uiteindelijk ontstond er zo begrip voor elkaar en kwamen we tot een oplossing. Marius en zijn zusje mochten thuis onderling Nederlands praten en de moeder bleef voorlezen in het Roemeens.”

Wat wél kan

Volgens De Smedt kan een taalportret kinderen ook helpen om dingen te zeggen die ze normaal niet zo snel uitspreken. “Bijvoorbeeld dat ze op zaterdag niet naar Arabische les willen, maar juist liever meer Frans spreken. En als ik zie dat een kind geremd wordt door negatieve gevoelens, zoals stress rond Nederlands, kan dat aanleiding zijn voor een gesprek met school. Daarin leg ik uit dat het belangrijk is dat de nadruk niet alleen komt te liggen op wat een kind niet kan, maar ook juist op wat het wél kan.” <<