Het verhaal gaat dat tweelingen vaak een eigen taal hebben, maar is dat echt zo? Anja Spoelstra (zelf ook deel van een tweeling) ging het na.

Als mijn tweelingzus en ik vroeger oom André op de scooter hoorden aankomen, zeiden we steevast ‘O lé koete!’ Dat soort taal onder jonge tweelingen komt heel vaak voor. Bijna de helft van alle tweelingen heeft in hun eerste levensjaren een eigen manier van communiceren, blijkt uit diverse onderzoeken. Heel vaak gaat het daarbij om versimpelingen en verbasteringen. En soms gebruiken tweelingen zelfs nauwelijks taal, dan heb ben ze aan een half woord genoeg. Hoe komt dat?

De taalverwerving van tweelingen verloopt gemiddeld trager dan bij ‘eenlingen’, vertelt Angeliek van Hout. Zij doet onderzoek aan de Rijksuniversiteit Groningen naar de taalontwikkeling van kinderen. De woordenschat van tweelingen is nogal eens kleiner en de zinnen zijn korter. “Ze worden door volwassenen vaak samen aangesproken (‘jullie’) en krijgen minder individuele aandacht. Omdat tweelingen veel tijd doorbrengen met elkaar, ontwikkelen ze vaak een manier van spreken waarbij ze elkaar nadoen.” Van Hout wijst erop dat die verschillen in taalverwerving meestal ingelopen zijn als de kinderen naar school gaan.

Bij mijn zus en mij is de gezamenlijke taal verdwenen, maar andere volwassen tweelingen gebruiken die soms nog, naast de standaardtaal. Drie voorbeelden.

Spiegelschrift als geheimtaal

Lenneke (l.) en Gitta (r.)

De zussen Gitta en Lenneke Overmaat (73) zijn allebei kunstenaar. Lenneke verwerkt in haar kunst ook het spiegelschrift dat zij en Gitta als kind gebruikten – zoals ook in de illustratie hierboven.

Lenneke: “Toen we een jaar of acht waren zijn we met ons spiegelschrift begonnen. Dat deden we in hele, spiegelbeeldige zinnen, van rechts naar links. We komen uit een groot gezin en wilden iets wat helemaal van ons was: een geheimtaal, op papier. Daarin schreven we elkaar over onze pa en moe – die nogal streng waren –, over onze zussen en onze broer, en over de nonnen op de lagere school.”

Gitta: “Ook de nonnen waren streng. Aan een van hen hadden we zo’n hekel dat we haar in een van onze briefjes een ‘dik, vet, vies varken’ noemden. Dat was natuurlijk best heftig. Maar we dachten dat ze dat toch niet kon lezen.” Lenneke: “Maar ja, ze vond het briefje en pakte er een spiegeltje bij. We werden opgesloten op zolder en uren later pas weer vrijgelaten. Toen zijn we meteen opgehouden met die briefjes op school. Maar we stopten daarbuiten pas met ons spiegelschrift toen we naar verschillende middelbare scholen gingen en ook ieder andere vriendinnen kregen.”

Gitta: “We kregen toen ook een eigen kamer.” Lenneke: “Pas een jaar of vijftien geleden heb ik het spiegelschrift weer opgepakt. Ik had van een fotoalbum van vroeger een beeldverhaal gemaakt met silhouetten, waarin ik teksten in spiegelbeeld schreef. Als ik ons tweeën tekende, kwam dat intuïtief naar boven. Ik merkte ook dat dat veel makkelijker ging dan schrijven in gewoon schrift. Daarom ben ik het blijven doen in mijn kunstzinnige werk.”

De twee zussen maken ook gezamenlijke filmpjes, waarop te zien is dat ze tegelijkertijd schrijven. Daarbij gaat Gitta van links naar rechts en Lenneke van rechts naar links.

Gitta: “Het is nu geen geheimschrift meer. Hiermee drukken we uit dat we een spiegeltweeling zijn. We zijn eeneiig en daarom genetisch identiek, maar we doen bijna alles spiegelbeeldig. Zo is Lenneke rechts- en ik linkshandig, en zijn we ook mentaal elkaars spiegelbeeld. Het zou wel logischer zijn als ik in spiegelbeeld schreef, omdat ik linkshandig ben. Maar ik hou wel van het niet-logische.”

Met handen emoties uitdrukken

Eline en Rebecca

Vanaf hun vierde jaar hebben de tweelingzussen Eline en Rebecca (52, niet hun echte namen) een eigen gebarentaal. Daarbij krommen ze een hand (of beide handen) en brengen de vingertoppen bij elkaar, waardoor een soort handpop ontstaat. Die kan allerlei emoties uitdrukken, zoals verdriet, blijdschap of boosheid. Zodra de handen gaan ‘praten’ stijgen de stemmen van de zussen een octaaf. De gebarentaal gebruiken ze vooral onderling, soms doen hun gezinsleden of vrienden enthousiast mee. Maar in het openbaar zullen ze het nooit doen. “We hebben inmiddels kinderen vanaf de puberleeftijd en die moeten zich niet schamen voor hun moeders”, verklaart Eline. “Zeg nou zelf: het is toch best wel apart om twee vijftigers met piepstemmen en hun handen te zien communiceren?” Vandaar dat ze ook liever een pseudoniem gebruiken.

Verder luistert hun gebarentaal nauw. “Anderen maken vaak happende bewegingen met hun handen als ze willen meepraten, dat doen wij niet.” Ook bewegen de handen van de zussen synchroon met de lettergrepen van elk woord dat ze uitspreken: lastig te volgen voor ongeoefende buitenstaanders.

Hoe de gemeenschappelijke gebarentaal is ontstaan? De zussen denken er even over na: verveling waarschijnlijk. Eline: “Omdat we een paar jaar schelen met de andere kinderen uit ons gezin, waren we vroeger vaak op elkaar aangewezen. Maar ook daarbuiten waren we veel samen, waardoor we elkaar niet veel te vertellen hadden.”

“We kunnen hiermee iets zeggen wat anders ongemakkelijk is.”

Vermoedelijk was het Rebecca die als eerste met een van haar handen ging praten, die ze een ‘hamster’ noemde: “Ons huisdier, een echte hamster, was doodgegaan, wat we heel erg vonden. Vandaar dat het een hamster werd, maar dan een die net zo lang zou leven als wij.” Na die ene hand volgde al gauw een tweede, en na verloop van tijd gebruikten de zussen allebei hun handen. De hamsters heetten ‘linksie’ en ‘rechtsie’ en ‘linksie en rechtsie van de buren’, afhankelijk van het gezichtspunt van de zus die aan het woord was. Eline: “En zo – met onszelf erbij – waren we uiteindelijk met z’n zessen.”

Het is een vrolijk gezicht om de handen van Rebecca en Eline over de tafel te zien dansen, waarbij de twee voortdurend in de lach schieten. Eline: “We hebben altijd heel veel lol van ons gehamster.” Rebecca: “Maar we kunnen hiermee ook iets zeggen wat anders ongemakkelijk is, bijvoorbeeld als we geïrriteerd zijn.” Ze doet het voor met een van haar handen en een hoog stemmetje: “Nou heb ik wel weer genoeg afgewassen!” Ook zetten de twee hun gebarentaal in als ze een gespreksonderwerp spannend vinden, zoals een reis die ze binnenkort gaan maken, of om een conflict te omzeilen. Eline: “Maar het is ook weer niet zo dat we met ons gehamster elk onderwerp relativeren. Als er écht iets aan de hand is, zullen we dat nooit via ‘de hamsters’ laten weten.”

Een taal van weinig woorden

Winand (l.) en Vinod (r.)

Winand en Vinod Singh (46) kunnen niet op verzoek hun tweelingentaal laten horen: die gebruiken ze alleen spontaan en onderling. Tijdens het interview is daarvan ook niets te merken. Maar ze kunnen die wél goed beschrijven, omdat ze zich ervan bewust zijn dat hun communicatie anders is dan die met anderen.

Winand: “We gebruiken vaak halve zinnen en halve woorden, en er zit veel straattaal en Engels tussen. Ook kan een klank een woord of iets anders vertegenwoordigen. Zo gebruikten we als kind het woord keks voor ‘suf’. Toen de nachtwinkel bij mij in de buurt een koekje ging verkopen dat Duo Keks heette, zijn we dat gaan gebruiken voor iets wat écht suf was, oftewel dubbel suf.”

Vinod: “Onze stem wordt ook lager, krijgt een soort bastoon. En vooral de klinkers blijven over. Of, zoals mijn partner het zegt: ‘Jullie praten in grunts.’”

De twee broers gebruiken hun eigen taal als ze gezamenlijk werken aan communicatie-opdrachten of om snel iets af te stemmen. Winand: “Je kunt het vergelijken met stenografie, maar dan een gesproken versie.”

De kernachtige tweelingtaal van Vinod en Winand is er altijd geweest. Winand: “Ik herinner me uit onze vroegste jeugd dat we bijna niets tegen elkaar zeiden. Dat vonden we niet nodig, omdat we elkaar heel goed aanvoelden. Als we al praatten, brachten we het terug tot de essentie, en zo is het soms nog. Bijvoorbeeld als we ergens hebben afgesproken en we elkaar onderweg bellen. Ik noem dan alleen de naam van het café waar ik langsloop. Dan weet Vinod meteen welke route ik neem en hoe laat ik op de afgesproken plek ben.”

Vinod: “Maar we waren ons er heel lang niet van bewust dat onze onderlinge manier van praten zo anders was. Daar kwamen we pas achter toen we rond ons achittende een mobiele telefoon kregen, een verschillende studie kozen en allebei ergens anders gingen wonen. Een vriend hoorde me telefoneren met Winand en vroeg me daarna: “What the fuck zeiden jullie tegen elkaar?” En wij maar denken dat we een volwaardig gesprek met elkaar voerden.”

Winand: “Vanaf toen zijn we meer met taal bezig geweest: ermee gaan spelen, ons erin gaan verdiepen. Zo hebben we samen met vrienden in een rapgroep gezeten. Ook spreken we inmiddels zaken veel vaker uit, anders voelen onze gesprekken toch niet volledig. Want wat werkt als kind, hoeft niet per se te werken als volwassene.” <<