Als toerist in Zuid-Europa hoef je maar hakkelend één woordje van een lokale taal te verstoethaspelen of ze steken de vlag voor je uit. ‘Efcharistó.’ ‘Wow, your Greek is amazing!’ 

Nee, dan 2500 kilometer noordelijker. Ooit kregen we een nieuwe dokter in Rijssen. Uit Rotterdam. Leuke gast, die er volop voor ging. Eén dingetje: hij verstond ons niet. Dus zei hij spontaan: ‘Leer mij ook Riessens.’ 

Kataklop kataklop, enter de platmaffia: ‘Probeer maar niet, bij jou klinkt dat nergens naar.’ En: ‘Wat heb je daar nu aan? We kunnen allemaal Nederlands, hoor.’ Of: ‘Over een paar jaar is plat er toch niet meer.’ Twintig jaar later kan onze dokter nog steeds geen woord Riessens (en is het er nog steeds). 

Het is een verwrongen welkom. Je helpt mensen integreren door ze vertrouwd met je spraakgebruiken te maken, niet door ze ervan weg te houden. Geldt lokaal net zo goed als nationaal. Weer dat rare idee dat Nederlands ‘hoort’ en ons eigen ‘spraakgebrek’ zo snel mogelijk in ’n askenemmer moet, zeker bij de deftige dokter. 

Maar nu het bizarre: ook jongeren die hier zijn opgegroeid zonder Nedersaksisch en het nu willen leren – en die zijn er steeds meer! – worden keihard geweerd aan de Sassenpoort. Prille pogingen weggehoond. Je moet stront­eigenwijs zijn om Nedersaksisch te leren; de hardliners werken je in alles tegen. 

Een universitair docente uit Hellendoorn vertelde dat ze de eerste Nedersaksische academica wilde zijn. Nam zelfs les bij een bekende spreekster. Maar niet-aflatend genöal van de goegemeente ontnam haar alle plezier. Boodschap: doe het direct perfect of begin er niet aan. Weer een ambassadeur verspeeld. Tot zover die befaamde Twentse gastvrijheid. 

Nederlands, Duits, Engels, we kunnen alles leren. Behalve Nedersaksisch, daar moet je magisch mee geboren zijn. En mocht je dat geluk hebben, snel afleren. Maar ondertussen wel klagen dat ‘niemand nog plat kan’. Goh, gek hè? Hoe (be)krom(pen) kun je denken! 

Als de uitsmijters iedereen weren, blijft er weinig feest over. Taalpuristen zijn het grootste gevaar voor het Nedersaksisch. 

Martin ter Denge