De vrouw des huizes, in den vreemde: in vaste uitdrukkingen komen des en den soms nog voor, maar verder zijn dat soort naamvallen in het Nederlands nagenoeg uitgestorven. Hoe gaat een taal om met zo’n grote verandering?

Op Oudejaarsavond 1927 ging dichter Karel van de Woestijne zich niet te buiten aan oliebollen of bubbels. Voor hem was er “geen dronk dan droevig drab om mijne keel te koelen”, althans zo schreef hij die avond in een gedicht over het verstrijken van de tijd, met daarin ook passages als: “Uwen schoot”, “vreeze voor den dood” en “waetren van den nood”.

Best gek om te bedenken dat de naamvallen nog geen honderd jaar geleden nog op die manier gebruikt werden. Pas in de jaren daarna verdwenen ze uit het Groene Boekje en de krantenkolommen. Het enige waarin we die naamvalsuitgangen nu nog vinden, is in voornaamwoorden, zoals ik - mij, jij - jou of wij - ons, en in sommige vaste uitdrukkingen, zoals te allen tijde, ledigheid is des duivels oorkussen en ’s lands wijs, ’s lands eer. Maar voor de rest zijn die naamvallen verdwenen.

Wat je daarover vaak hoort, is dat het Nederlands makkelijker is geworden: we hoeven ons niet meer druk te maken over de vraag of het de, des, den of der is. Maar is dat wel zo? Is er echt een zekere losheid of een zeker gemak in onze taal geslopen? Zo lijkt het, maar het tegendeel is waar. Om dat uit te leggen, moeten we toch eerst even in die naamvallen duiken.

Kat laten zien

Ontelbaar veel scholieren hebben bij het schoolvak Duits rijtjes geleerd als:

eerste naamval (onderwerp)
das Mädchen - die Katze

tweede naamval (bezit)
des Mädchens - der Katze

derde naamval (meewerkend voorwerp)
dem Mädchen - der Katze

vierde naamval (lijdend voorwerp)
das Mädchen - die Katze

De vorm van een woord hangt daarbij af van de rol die het in de zin heeft. Neem nu de zin:

Ik heb het meisje de kat laten zien.

Daarin is het meisje de ontvangende partij, oftewel meewerkend voorwerp (derde naamval). De kat is de partij die de handeling ondergaat, oftewel de kat is een lijdend voorwerp (vierde naamval). De Duitse vertaling wordt dus:

Ich habe dem Mädchen die Katze gezeigt.

Vrolijk omdraaien

Wie Duits spreekt, ziet meteen dat het het meisje is dat de kat te zien krijgt, en niet andersom. Omdat die naamvallen zo duidelijk zijn, mag je in het Duits de volgorde van de bovenstaande zin dan ook vrolijk omdraaien, zonder dat dit de betekenis ervan verandert:

Ich habe die Katze dem Mädchen gezeigt.

In het Nederlands kan dat niet. Je zegt wel:

Ik heb het meisje de kat laten zien.

Maar niet:

Ik heb de kat het meisje laten zien.
Ik heb de kat laten zien het meisje.

Althans, dat eerste mag wel, maar dan betekent het wat anders. Het Nederlands is kortom een taal met een vrij vaste woordvolgorde. Zeker geen losse boel dus!

Meer plekken in de zin

Maar stel nou dat we het meisje veranderen in aan het meisje. Dan mogen we die zinsvolgorde wel weer losser hanteren:

Ik heb aan het meisje de kat laten zien.
Ik heb de kat aan het meisje laten zien.
Ik heb de kat laten zien aan het meisje.

Woordgroepen die met een voorzetsel beginnen, mogen dus op veel meer plekken in de zin staan dan woordgroepen zonder voorzetsel.

Het Engels

Dat met die voorzetsels is overigens niet een of andere rare eigenschap van het Nederlands; je vindt dat verschijnsel in veel talen terug, bijvoorbeeld ook in het Engels. Je zegt:

I showed the girl the cat.

en niet:

I showed the cat the girl.

Maar het volgende kun je weer wel zeggen:

I showed the cat to the girl.

Wie ziet wat?

Aan een woordgroep als aan het meisje kun je dus meteen zien dat het een meewerkend voorwerp is. Zonder aan zou het ook een lijdend voorwerp kunnen zijn. Neem nog maar eens dit paar zinnen:

Ik heb het meisje de kat laten zien.
Ik heb de kat het meisje laten zien.

In de eerste zin krijgt het meisje een kat te zien, in de tweede zin is dat precies andersom. In het Duits is dat dus anders: daarin kun je alle volgordes gebruiken voor iedere betekenis, zolang je de juiste naamvallen maar aanhoudt.

Naamvallen en voorzetsels doen eigenlijk precies hetzelfde: ze maken duidelijk welke functie bepaalde woorden hebben in een zin. Niks losser of makkelijker – wel anders. <<

Te uwer informatie

Dankzij vaste verbindingen kennen we ongemerkt nog best wat naamvallen:

  • Der: Vrouwelijk lidwoord in de tweede of derde naamval: in der minne schikken, in naam der wet, de groten der aarde. Ook meervoud: het boek der boeken.
  • Den: Mannelijk en onzijdig lidwoord in de derde of vierde naamval: in den beginne, uit den boze, op den duur, aan den lijve, in den vreemde.
  • Des: Mannelijk en onzijdig lidwoord in de tweede naamval: de vrouw des huizes, de dag des Heren, des duivels zijn, de plaats des onheils, steen des aanstoots.

Hedde Zeijlstra is hoogleraar taalkunde aan de Georg-August-Universiteit in Göttingen (Duitsland).