“Wij hebben de monteur ziek”, zei me laatst de baliedame van de autogarage. Ik had ja de auto kapot en ik belde om te vragen of-ie al een keer klaar was. Een typisch voorbeeld van hoe Twents nog steeds ons dagelijks taalgebruik beïnvloedt, zelfs als we denken dat we Nederlands spreken. In onbewaakte ogenblikken komt het er gewoon weer uit. Kunnen we niks aan doen.

Als taalgekkie vraag ik me dan meteen af waarom we dat zo zeggen. Wat steekt daarachter? Op de een of andere manier moeten we in Twente altijd de uitwerking van de situatie op onszelf (of een ander) door laten schemeren. Cultuurdingetje.

‘Onze monteur is ziek’ is voor ons niet afdoende. Ten eerste is hij niet ons bezit, vandaar een voorkeur voor de monteur. Onze gebruiken we vooral voor familierelaties: ‘onze Jan’. En de monteur was in dit geval gewoon een werknemer, geen familie dus. Ten tweede kan de monteur op die manier nog steeds in de werkplaats rondlopen, al dan niet luid hoestend en snotterend: ‘Onze monteur is ziek … dus hou een beetje afstand.’

Door ‘wij hebben’ te zeggen, gaf de baliedame aan dat het bedrijf erdoor beïnvloed is. Dan zit de monteur dus waarschijnlijk thuis en kan het bedrijf niet de service bieden die je zou verwachten. Zo ‘had ik’ dus een tijdje langer de auto bij de garage. Met andere woorden: mijn mobiliteit werd sterk ingeperkt. Zo wordt er in het Twents heel wat geïmpliceerd, terwijl we maar de helft uitspreken.

Het lijkt op het verhaal van mijn vader, die in zijn werkzame leven bij het waterschap werkte. Die kwam ooit bij een oude boer over de vloer. Naar Twents gebruik is het minste dat je kunt doen een gast koffie aanbieden. Maar dat zat er niet in volgens de boer, want ‘hij had de vrouw ziek’.

Tja, dan kun je inderdaad niks!

Martin ter Denge