Onderzoeken wijzen keer op keer uit: als je de thuistalen van leerlingen de ruimte geeft in de klas, profiteert iedereen. Maar hoe moet dat dan precies? Meertaligheidsexpert Steven Delarue zag in de praktijk wat werkt.

Eigenlijk zijn we allemaal meertalig. Misschien spreek je weleens een woordje Frans of Spaans op vakantie, pik je een paar woordjes Tamazight mee op de bus of spring je moeiteloos van je thuistaal naar het Nederlands wanneer je iets wilt vragen in de winkel. Misschien spreek je met je familie wel een dialect, of kun je nog verrassend goed mee met de jongerentaal van tegenwoordig. Of misschien ben je net als ik een partner tegengekomen met wortels in een ander land, en belandde je voor je het goed en wel besefte in een avondcursus Turks, waar je kennismaakte met een taal die heel anders is dan het Nederlands en vaak voor complete verwarring zorgt, maar daardoor ook een andere wereld voor je laat opengaan.

Om maar te zeggen: meertaligheid is een realiteit in de maatschappij, en dus evengoed in ons onderwijs. Het aantal kinderen en jongeren tot 18 jaar dat thuis een andere taal spreekt naast het Nederlands (of in plaats daarvan), stijgt al jaren – zowel in Nederland als in Vlaanderen. De laatste tien jaar is dat aantal bovendien sterk toegenomen door de komst van oorlogsvluchtelingen uit Oekraïne, Syrië, Irak, Afghanistan en Palestina. Klaslokalen zijn zo de afgelopen jaren een stuk meertaliger geworden.

Gepolitiseerde discussie

Veel mensen denken dat méér Nederlands de enige weg is die leidt naar een betere beheersing van die taal. Met name in Vlaanderen is de discussie sterk gepolitiseerd, waarbij bijvoorbeeld de minister van Onderwijs een beleid voert dat uitsluitend ruimte laat voor het Nederlands, terwijl progressievere partijen juist meer aandacht voor thuistalen bepleiten. In Nederland lijkt dat debat een stuk minder gepolariseerd te zijn: in de nieuwe kerndoelen is er veel ruimte voor meertaligheid [zie ook het artikel ‘Taal gaat leven in de klas’ (Onze Taal 5, 2026 – red.], en ook het recente advies Talige diversiteit benutten van de Onderwijsraad zet de schijnwerpers op kansen voor meertaligheid in de klas.

Dat laatste is volledig terecht, want docenten die het Nederlands van meertalige kinderen willen versterken door enkel dat Nederlands een plek te geven in hun klas, doen daarmee hun leerlingen tekort. Ruimte maken voor meertaligheid betekent ruimte geven aan de identiteit van elke leerling én kan het Nederlands van leerlingen versterken. Maar ja, dat is natuurlijk makkelijk gezegd. Hoe doe je dat precies als je als docent voor een klas staat met meer nationaliteiten dan je op één hand kunt tellen?

Fruit

Samen met mijn collega’s van Onderwijscentrum Gent ondersteun ik leraren bij het inzetten op meertaligheid in de klas. Een tijdje terug was ik in een Gentse kleuterklas, waar de juf merkte dat veel van de net gestarte kinderen de hele dag stil bleven en amper Nederlands bleken te begrijpen. Dat frustreerde haar, want ze had het gevoel dat ze tegen een muur zat te praten en er niets terugkwam. Tot ze op gegeven moment enkele stukken fruit uit haar tas haalde en vroeg: “Wie weet wat dit is?” Het bleef even stil, tot één kind stilletjes “elma” zei: ‘appel’ in het Turks. Opeens begonnen meerdere kinderen te praten en stukken fruit te benoemen in hun taal. De juf probeerde het allemaal na te zeggen, noteerde de woorden op kaartjes en koppelde de woorden expliciet aan hun Nederlandse tegenhangers, voor het Turks bijvoorbeeld: ‘appel - elma’, ‘peer - armut’, ‘banaan - muz’. Na een week kenden de kinderen al die woorden in het Nederlands.

Zo werkt het vaak in de klas: door te vertrekken van iets wat bekend en vertrouwd is, uit de eigen leefwereld en in de thuistaal, voelen meertalige leerlingen zich gezien, en bouwen ze hun kennis van de wereld en van het Nederlands verder op. Dat werkt niet alleen zo met woorden, maar ook met grammatica. Toen ik in de Turkse les in aanraking kwam met naamvallen, was ik des te blijer dat ik vroeger Latijn had gestudeerd en naamvallen dus niet nieuw voor me waren. Omgekeerd hebben sprekers van talen zoals Turks of Pools het vaak moeilijk met lidwoorden als ze Nederlands leren, omdat dat concept in hun eerste taal niet bestaat.

IJsbergmodel

De Canadese pedagoog Jim Cummins, die zijn academische carrière wijdde aan onderzoek naar taalontwikkeling en meertaligheid in het onderwijs, wist ruim vijftig jaar geleden al hoe dat leerproces ongeveer werkte toen hij zijn ‘interdependentiehypothese’ lanceerde. Die stelt – kort gezegd – dat alle talige kennis en vaardigheden die je in je eerste taal hebt verzameld, overgedragen kunnen worden naar een tweede (of derde, vierde) taal die je leert.

Door de manier waarop Cummins zijn hypothese heeft gevisualiseerd, staat ze ook wel bekend als het ijsbergmodel. Het is bij talen immers zoals bij een ijsberg: daarvan kun je slechts een klein stukje zien boven het wateroppervlak, terwijl de grootste massa zich onder water bevindt. De verschillende talen die je kent en gebruikt, zijn dan de kleine ijsschotsen boven water, terwijl die grote gemeenschappelijke onderliggende kennisbasis, waarin alles wat je van taal weet of in taal kunt is opgeslagen, onzichtbaar is en zich onder water bevindt. Die basis maakt het mogelijk om kennis en vaardigheden van de ene ijsschots (taal 1) over te zetten naar de andere (taal 2).

Wereldkaart

Die drijvende ijsschotsen vormen een mooie theorie, maar een klaslokaal is geen ijszee. Hoe pak je dat dan aan in de praktijk? Een eerste belangrijke stap voor leraren is om de meertaligheid op hun school zichtbaar te maken. Dat kan op allerlei manieren: een bord bij de schoolpoort waarop leerlingen verwelkomd worden in alle talen die op de school aanwezig zijn, een wereldkaart aan de muur waarop je met pinnetjes aangeeft waar de wortels van leerlingen liggen, een schoolbibliotheek met boeken in allerlei verschillende talen, of de woordenschat van het thema dat in de klas aan bod komt niet enkel in het Nederlands op de muur hangen, maar ook in andere talen – zoals in het fruitvoorbeeld eerder.

Zulke acties zijn voorbeelden van talensensibilisering: leraren maken leerlingen bewust van het bestaan van een veelheid aan talen en culturen in de wereld – en dus ook op school. Dat heeft voordelen voor élke leerling, ook als die van huis uit enkel Nederlands zou spreken: kunnen omgaan met (talige) diversiteit en wereldburgerschap zijn elementen die voor iedereen van belang zijn, en die – met name in Nederland – ook verankerd zitten in de kern- en minimumdoelen die leerlingen moeten bereiken.

Positieve aandacht voor meertaligheid helpt boven dien om de band met meertalige ouders te versterken. Leraren kunnen hen bijvoorbeeld de klas in halen om verhalen voor te lezen in verschillende talen, of boekjes en ander materiaal meegeven naar huis om er samen met hun kind over in gesprek te gaan. Op die manier wordt de band tussen school en thuis verder versterkt, wat het leren alleen maar ten goede komt, en niet alleen als het gaat om talen.

Liedjes met emotie

Leraren kunnen nog een stapje verder gaan dan het louter zichtbaar maken van andere talen, en die ook echt laten inzetten door leerlingen in de klas. Dan kom je op het terrein van ‘functioneel meertalig leren’, een concept dat bedacht is aan de Universiteit Gent. Hoe dat werkt, kunnen we bijvoorbeeld zien in de les van biologieleraar Tom die ik ooit bijwoonde. Tom merkte op dat Jakub, een nieuwkomer die nog niet zo lang geleden bij hem in de klas kwam, een bepaalde opdracht niet begreep. Hij vroeg daarom aan Mateusz, een klasgenoot die net als Jakub het Pools als thuistaal heeft, om in de eigen taal uit te leggen wat de bedoeling van de opdracht precies is en de verschillende stappen kort te overlopen. Zo’n klasgenoot met dezelfde thuistaal is er uiteraard niet altijd, maar dan had Tom het ook anders kunnen aanpakken, met een vertaaltool bijvoorbeeld. Het belangrijkste is dat leraren actief nadenken over de vraag hoe meertalige leerlingen een duwtje in de rug kunnen krijgen door hun eigen taal in te zetten.

Leerkrachten kunnen leerlingen ook laten kijken naar de talen waarmee ze opgroeien. Docent Nederlands Marleen deed dat bijvoorbeeld. Ze liet een aantal stellingen los op haar klas met vijfdejaars. Zijn de leerlingen trots op hun thuistaal? Met wie spreken ze die vooral? En zouden ze hun eigen kinderen ook in die taal opvoeden? Het leverde soms verhitte discussies op, en was een opstapje voor opzoekwerk in groepjes over de voor- en nadelen van kinderen opvoeden in verschillende talen. De leerlingen mochten informatie opzoeken in een taal naar keuze en elke groep presenteerde het resultaat aan de rest van de klas – in het Nederlands. Doordat het opzoekwerk ook in andere talen mocht gebeuren, merkte Marleen dat de bronnen diepgaander en beter waren verwerkt, wat voor inhoudelijk sterkere presentaties zorgde. Het groepswerk verliep bovendien geanimeerder dan gewoonlijk, en de leerlingen waren extra enthousiast over de opdracht.

Deze twee voorbeelden laten meteen zien hoeveel verschillende manieren er zijn om met meertaligheid in de klas aan de slag te gaan. Ruimte maken voor meertaligheid in de klas wordt, met name in Vlaanderen, nog vaak gezien als een keuze tégen het Nederlands, alsof het automatisch het Nederlands in de verdrukking zou brengen. Die politieke overtuiging strookt echter niet met wat ik al jaren in steeds meer klassen zie gebeuren: praten over taal en identiteit, leren vanuit verschillende thuistalen en elkaars wereld beter leren kennen is zo verrijkend, en helpt het Nederlands ook mee vooruit. Thuistalen een plek geven in de klas: het is een kwestie van gezond verstand. En soms ook van stukken fruit. <<

Vorig jaar verscheen van Steven Delarue het boek Meertaligheid in de klas bij uitgeverij Academia Press, waarin hij veertig veelgestelde vragen van leraren en schoolleiders beantwoordt met veel voorbeelden uit de praktijk.

Dit artikel in de klas

Onze Taal maakt ook educatiemateriaal, waaronder een les in het thema van dit artikel. In klaslokalen vind je steeds meer leerlingen die thuis (ook) een andere taal spreken dan Nederlands. Sommigen denken dat dit vooral een nadeel is voor hen, maar anderen zien juist ook voordelen. Een les waarin leerlingen onderzoeken waar zij zelf staan in deze discussie. Je vindt de les hier.