Astronaut of kosmonaut? (Gesignaleerd)

Azra Markovic - Rotterdam

Foto: NASA

Begin juni las ik over een ernstig lek in het Russische deel van het internationale ruimtestation ISS. RTL Nieuws meldde dat “twee Amerikaanse astronauten, een Franse astronaut en een Russische kosmonaut” zich voor moesten bereiden op een noodevacuatie.

Die opsomming riep bij mij wat verwarring op. Want wat was hier precies het verschil tussen een astronaut en een kosmonaut? Ging het om twee verschillende beroepen? Nee, ontdekte ik na een paar minuten googelen: een kosmonaut en een astronaut doen hetzelfde werk. Het verschil zit ’m in de afkomst: een Russische ruimtevaarder heet een kosmonaut, terwijl astronaut wordt gebruikt voor onder anderen Amerikanen, Nederlanders en Britten in de ruimte. In Nederlandse media wordt kosmonaut vaak alsnog voorafgegaan door Russische – een soort pleonasme, dus.

En het wordt nog ingewikkelder: een Chinese ruimtevaarder wordt in Nederland een taikonaut genoemd (taikong betekent ‘ruimte’ in het Mandarijn), terwijl ze die term in China niet echt kennen. Daar spreken ze vrijwel altijd van een yǔhángyuán (‘ruimtevaarder’).

Rest de vraag: waar is dit onderscheid tussen ruimtevaarders uit verschillende landen goed voor? Het internationale ruimtestation is een van de weinige plekken in de kosmos waar westerse landen en Rusland nog samenwerken. Zou het niet mooi zijn om die harmonie te benadrukken door (in het Nederlands) één term de kiezen voor alle ruimtevaarders?

Limburgs (Reactie)

Jacq Zinken - Gorinchem

In de rubriek ‘Taalloket’ in nummer 4 van 2026 ging het over de uitdrukking je vingers erbij aflikken. Ik herinner mij een variant daarvan die ik nog steeds (inmiddels al vele tientallen jaren woonachtig ‘in het noorden’) letterlijk gebruik. Mijn Limburgse vader zei altijd als hij lekker gegeten had (en gelukkig kwam dat regelmatig voor): “Ich lègk mich vinger en doem” (‘Ik lik me de vingers en duim’).

Huuus (Reactie)

Victor Meeussen - Krimpen aan de Lek

In ‘Lezerspost’ (Onze Taal 4, 2026) schrijft lezer Bob van Dijk over arms en beens als meervoudvorm. Dat deed mij – oude Randstedeling met dierbare herinneringen aan lange zonnige jeugdvakanties diep in de Achterhoek – terugdenken aan hoe men daar over één huis sprak als huus en over meerdere huizen als huuus, met een langer gerekte u-klank. Ik moet ook denken aan één peerd (‘paard’) en twee peeerd (‘paarden’).

Vreemde taal (Taalspel)

Anita Boelsums - Amsterdam

Mijn oma (geboren in 1896) leerde mij ooit als kind een stukje woordkunst dat zij zelf ook ooit als kind had geleerd:

Aal at aal
Pap at haar man
Lam at hooi
Sik at mee

Als je de zinnetjes snel achter elkaar uitspreekt, klinken ze als een onverstaanbare vreemde taal. Probeer maar. Ik kan er nog steeds verwonderde blikken mee oproepen. En ik geef het grapje graag door aan mijn kleinkinderen! Zijn er lezers die ook dergelijke taalgrapjes kennen die we moeten koesteren?

Goed (Reactie)

Irene Postma - Kesteren

In zijn column over “een wonderlijk meervoud” (Onze Taal 4, 2026) doet Guus Middag een aantal aardige constateringen. Alleen heeft hij ongelijk dat het woord goederen geen enkelvoud kent. Goederen is namelijk het meervoud van goed. Op diezelfde manier is eieren het meervoud van ei en kinderen het meervoud van kind. Helaas hoor ik steeds vaker kindjes, wat voor mij nog steeds fout klinkt. Ik ben zelf namelijk opgegroeid met het woord kindertjes.

Stå, ligga, sitta (Reactie)

Esther de Putter - Rotterdam

Als scandinavist viel me iets op in het artikel over de werkwoorden staan, liggen en zitten (Onze Taal 2, 2026). Het stuk suggereert dat Zweedstaligen het gebruik van deze Nederlandse positiewerkwoorden makkelijk leren, omdat het Zweeds vergelijkbare werkwoorden (stå, ligga, sitta) kent, met een vergelijkbaar gebruik. Toch gaan sprekers van het Zweeds in de praktijk soms de mist in met het Nederlands.

Zo wordt het werkwoord zitten in het Nederlands gebruikt als iets zich in een gesloten ruimte bevindt: sleutels zitten in een tas. Het Zweeds kijkt juist naar de fysieke houding van het voorwerp zelf. Omdat sleutels los en plat onder in een tas rusten, liggen ze voor een Zweed. Pas als iets vastgeklemd of gemonteerd zit, gebruikt een Zweed sitta (‘zitten’): de poster zit op de deur.

Ook bij gebouwen heeft het Zweeds een heel eigen logica. Een school ligt in het Zweeds bij het centrum (skolan ligger nära centrum), terwijl je in het Nederlands eerder zou zeggen dat de school er staat. Het Zweeds gebruikt ook vaker neutrale constructies dan het Nederlands. Bijvoorbeeld: det finns en stol i rummet (‘er bevindt zich / er is een stoel in de kamer’). Een Zweed zal daar veel minder snel staan gebruiken.

Kortom: Zweedstaligen kennen de woorden staan, liggen en zitten wel, maar de kleine verschillen in gebruik zijn nog wel een valkuil bij het leren van Nederlands.

Ja nee ja (Reactie)

Mathilde van de Veen - Enschede

In het vorige nummer (Onze Taal 4, 2026) stond een mooi artikel over de verschillende betekenisvarianten van het woordje ja. Een van die varianten werd het ‘je weet wel’-ja genoemd: een ja dat zoiets als ‘immers’ betekent en in het Duits en het Nedersaksisch voorkomt. Dit ja hoor ik in Twente inderdaad regelmatig voorbijkomen, in zinnen als ‘Dat komt ja wel goed.’

Helemaal bijzonder wordt het wanneer je meerdere varianten in één zin stopt. Zo hoorde ik eens een moeder uitroepen tegen haar kind – dat al een tijdje om een ijsje zeurde en geen nee accepteerde: “Ik zei ja ‘nee’, ja!”

Naamrijmpjes

Redactie Onze Taal

In het vorige nummer (Onze Taal 4, 2026) schreef Ewoud Sanders over rijmcombinaties met voornamen, zoals No way, Jose en Dacht het niet, Piet. Dat inspireerde veel lezers om rijmpjes met hun eigen naam in te sturen.

Zo mailt Jaap Blaakmeer: “Narcolepsie is een te groot woord voor wat ik heb, maar ik wil nog weleens wegdommelen. Huisgenoten kunnen reageren met ‘Niet in slaap, Jaap!’” Roos Smits schrijft dat haar schoolvriendinnen haar naam vaak lieten rijmen op boos: “Niet zo boos, Roos.” Sipco Hellinga merkt op dat er niets op zijn voornaam lijkt te rijmen, maar dat hij zich tijdens een hete dag liet ontvallen: “Wát een hitte; ik heb het gevoel dat ik de Hellinga!”

Bij lezer Ad van Veen thuis hadden ze vroeger allerlei rijmpjes over het weer, zoals “Koud, Wout” en “Heet, Greet.” “En het mooie was dat we in onze hele familie geen Wout of Greet hadden.” Tot slot stuurde Kees van Dijk ons een hele rits zelfverzonnen voornaamrijmpjes, waaronder “Die vlieger gaat niet op, Bob” en “Dat gaat niet gebeuren, Søren”.

Tegen alle inzenders zeggen we: dankjewel, Nel!

Reageren op de inhoud van Onze Taal? Opmerkelijk taalgebruik melden? Stuur een bericht naar redactie@onzetaal.nl o.v.v. ‘Lezerspost’.